Aantal Hits : 1756  |
1756 hits
INHOUD
VLD vraagt Referendum
over EU-grondwet
PS tegen referendum
EU-grondwet
Waarom Referenda?
Via de achterdeur
Democratie.nu/nieuws/witte_berichten/wit_bericht_06/10/2004.html#Volksraadpleging_zaait_verdeling_bij">Volksraadpleging
zaait verdeling bij rechts
Spaans referendum
in februari volgend jaar
VLD-fractieleider wil
bevolking
raadplegen over jachthaven
Duitse oppositie keldert
voorstel over
EU-referendum
Word lid van WIT
VLD vraagt referendum
over EU-grondwet
Eind juni bereikten de
Europese staatshoofden en
regeringsleiders
tijdens hun top in Brussel een akkoord over de tekst van de Europese
grondwet.
In een tiental lidstaten van de
Europese Unie, waaronder Groot-Brittannië en Frankrijk, wordt een
euroreferendum georganiseerd. Tegen het najaar van 2006 moet vier
vijfde van de lidstaten de grondwet geratificeerd hebben. Zo niet,
trekken de Europese regeringsleiders de zaak weer naar zich toe.
In ons land pleitte premier
Guy Verhofstadt (VLD) al
vaker voor de invoering van een referendum
over de Europese grondwet. Hij zei echter telkens dat het aan het
parlement is om daarover een beslissing te nemen. Zijn partijgenoot Rik
Daems dient nu een wetsvoorstel in voor de invoering van een
referendum.
Voor een referendum
moet de Belgische grondwet worden gewijzigd. Daarom buigt de
kamercommissie voor de Herziening van de Grondwet zich vanaf morgen
over het wetsvoorstel.
Volgens Daems bevat de
Europese grondwet zeer
ingrijpende
veranderingen voor de Europese burgers. Daarom stelt hij een
volksraadpleging voor over de tekst, 'omdat dat de beste manier is om
een maatschappelijk draagvlak te krijgen voor deze veranderingen'.
CD&V heeft
zich in de debatten over een referendum
steeds als tegenstander opgeworpen. De partij vindt dat het om een te
complexe zaak gaat om de mensen hun mening over te laten zeggen.
--> Een kandidaat bij de
representatieve verkiezingen
selecteren is tegenwoordig geen complexe zaak zeker?
De
sp.a en Spirit zijn net als Groen! voor een volksraadpleging over de
EU-grondwet.
Daems verwacht dat de
meeste partijen akkoord gaan met
het principe om een referendum te
houden. Hij verwacht wel een uitvoerige discussie in de Kamer over de
manier waarop die raadpleging gebeurt.
De ondertekening van de
EU-grondwet vindt plaats op 29
oktober in
Rome. Pas daarna kunnen de lidstaten de grondwet goedkeuren. De VLD
stelt voor, tussen de ondertekening door de lidstaten en het indienen
van een wetsontwerp in de Senaat een informatiecampagne en een
volksraadpleging te houden.
uit de Tijd van 14/9/2004.
PS tegen
referendum
EU-grondwet
Federale meerderheid vindt
geen consensus over
volksraadpleging
De federale meerderheid
vindt er geen
consensus over de organisatie van een referendum
over de Europese grondwet. Dat bleek gisteren in de kamercommissie voor
de Herziening van de Grondwet. De
PS is tegen. Nochtans staat in het
regeerakkoord dat een volksraadpleging moet worden georganiseerd. Eind
oktober moet duidelijk zijn of er een referendum
komt in ons land.
De Europese staatshoofden
en regeringsleiders bereikten
eind juni
een akkoord over de tekst van de Europese grondwet. Vooraleer de
grondwet in werking kan treden, moeten de 25 lidstaten de tekst
ratificeren. Tot dusver beslisten zeven lidstaten al een referendum
over de Europese grondwet te
organiseren.
Zijn partijgenoot Rik Daems
bracht gisteren in de
kamercomissie voor
de Herziening van de Grondwet de bal aan het rollen. Daar legde hij
zijn wetsvoorstel neer. Het dateert al van oktober 2003, maar Daems
legde het nu opnieuw neer. Daems schreef het voorstel vorig jaar samen
met het gewezen kamerlid en de huidige minister van Buitenlandse Zaken,
Karel De Gucht (VLD).
Uit het debat in
de kamercommissie bleek dat er binnen
de
meerderheidspartijen geen consensus bestaat over de organisatie van een
referendum. In het
regeerakkoord staat
nochtans dat een volksraadpleging moet worden georganiseerd. Naast de
VLD zijn ook de MR, de sp.a en Spirit voor een referendum. De PS liet gisteren echter
weten principieel tegen de organisatie van
een referendum te zijn. De partij
vreest dat het debat over een Europese grondwet door een referendum
wordt gesimplificeerd. De Franstalige socialisten vinden wel dat er een
publiek debat moet komen over de grondwet, maar zien daarvoor het
parlement als het meest geschikte middel.
--> zo behoudt de PS tenminste de controle.
Het kamerlid Servais Verherstraeten (CD&V) zei niet
'a priori tegen' een referendum
te zijn, maar CD&V wil eerst een regeringsstandpunt afwachten. Een
wisselmeerderheid leveren voor de goedkeuring van de Europese grondwet
is volgens CD&V niet bespreekbaar.
Ook het Vlaams Blok is gewonnen voor de organisatie van
een referendum op voorwaarde
dat er
ook een volksraadpleging komt over de toetreding van Turkije tot de
Europese Unie.
--> koppelverkoop?
De kamercommissie besliste dat er tegen eind oktober een
beslissing moet vallen of er al dan niet een referendum
komt. Indien er een referendum komt,
wordt een werkgroep opgericht die zich zal bezighouden met de
praktische organisatie ervan.
uit
de Tijd van 17/9/2004.
Iedereen weet dat de
representatieve democratie géén
perfect
mechanisme is. We moeten dus openstaan voor mogelijke verbeteringen.
Waarom dan geen referenda? In véle democratische rechtsstaten
bestaan
ze reeds. Overal tonen ze hun kwaliteiten als aanvulling en verfijning
op die representatieve besluitvorming. Er zijn ook aanwijzingen dat die
landen waar referenda goed ingeburgerd zijn een betere budgettaire
toestand kennen dan België.
Daarnaast kampt de Belgische besluitvorming met
opvallende
traagheid en blokkeringen, zoals de achtvoudige nodige meerderheden
mét
alarmbelprocedures(1). Ze kampt ook met groeiende verlamming door de
patstelling tussen het Vlaams Blok en de andere partijen. De sanitaire
schutskring –oorspronkelijk verantwoord vanuit antiracisme- is
gedegenereerd tot een breed en ongenuanceerd lappendeken waarmee vele
standpunten verdacht gemaakt worden die zelfs in de verste verte niet
racistisch zijn, én tot een permanente miskenning van de stem
van ¼ van
de Vlamingen. De Vlaamse besluitvorming draait dus stroef, zoals een
voetbalploeg met slechts 8 spelers. Het huidige cordon hindert daardoor
het héle maatschappelijke debat(2).
Het referendum lijkt –onder zekere voorwaarden die het
onderwerp
vormen van de komende pagina’s- de enige manier om menige beperking van
de klassieke, representatieve democratie op te vangen. Goede referenda
versterken onder meer de invloed van, en de controlemogelijkheden door
de burgers, zonder dat ze de verkozenen en de uitvoerende macht per
sé
moeten hinderen. Ze versterken ook de interesse onder de burgers voor
het openbare beleid en de motivatie voor actieve inzet. Ze verbeteren
het machtsevenwicht tussen burgers en verkozenen en de regering(3). Om
deze, en nog ettelijke andere redenen, ben ik voorstander van referenda
mits een degelijke procedure. Het referendum is daarin dan én de
noodrem op de trein van onze res publica, én de uiting van de
hoogste
soevereiniteit, zijnde die van het volk dat daarmee bij de
belangrijkste beslissingen rechtsstreeks kan meespreken.
Invoering van beslissende referenda(4) en
ratificatiereferenda(5) is
dus essentieel. Het referendum als wetgevende methode, in aanvulling op
de gewone wetgever heeft zijn verdiensten reeds bewezen in vele
democratische staten. De lijst van landen die referenda kennen is lang:
Denemarken, Australië, Nieuw-Zeeland, Italië, Ierland,
Noorwegen,
Zweden, Griekenland, Spanje, vele deelstaten van de VS en Canada(6), en
sinds kort ook zowat alle Midden-Europese staten. Die jonge staten
laten hun burgers stemmen of ze willen toetreden tot de Europese Unie
of niet. Grondwetgevende referenda bestaan ondertussen ook al in
Estland, Kroatië, Polen, Litouwen en Slovenië(7). Opvallend
is voorts
dat het referendum een exclusief kenmerk lijkt van de democratische
staten. Dictatoriale regimes en autoritaire leiders zijn er niet voor
te vinden(8). Inzake vernieuwing van de instellingen worden Vlaanderen
en België dus langs vele kanten voorbijgefietst. Essentieel is ook
de
bijval van de burgers voor referenda. In Vlaanderen én in de EU
lijkt
een manifeste meerderheid voorstander van referenda(9)
Omwille van al deze redenen lijkt een keuze voor enkel
referenda op
volksinitiatief en ratificatiereferenda aangewezen (doch
géén referenda
op initiatief van regerende mandatarissen). Het is nodig en zinvol,
én
als versterking van de democratie, én, in de specifiek Belgische
context, als tegengewicht tegenover de zuilen, de stroeve
partijpolitieke organisatie en verengde vertegenwoordiging in het
parlement (ten gevolge van de kiesdrempels). Prof. W. Dewachter:
"Totnogtoe is geen betere techniek ontworpen tot participatie van alle
burgers aan beslissingen rond afzonderlijke beleidsproblemen"(10).
Bestaat er wel een alternatief voor referenda? Ik betwijfel het. Daarom
deze aandacht voor een zo goed mogelijke procedure.
Een bijkomend voordeel van referenda onder een goede
procedure is
dat het ook kan bijdragen tot verbetering van het gewone wetgevende
werk in parlement en lagere raden. Deze worden nu gekenmerkt door
regelmatige steriele tegenstellingen tussen meerderheid en oppositie.
Een goede procedure voor referenda kan hieraan enigszins verhelpen.
Mits een degelijke en voldoende selectieve procedure,
kan het
referendum ook bijdragen tot een beter machtsevenwicht tussen
regeerders en burgers. Het referendum mag dus zeker niet aangewend
worden als ‘gebruikelijke’ techniek voor besluitvorming. De procedure
moet waarborgen dat de verkozenen nog steeds 99% van de besluitvorming
blijven verzorgen. De verkozen mandatarissen zijn daarvoor de
aangewezen personen. Zij moeten beslissingen nemen, het bestuur
begeleiden én controleren. In hun midden zullen latere
burgemeesters en
ministers politieke ervaring opdoen. Dezen moeten leidinggeven aan het
bestuur van het land. Zij moeten samen met hun medewerkers en
medestanders de nodige visie ontwikkelen en de bevolking kunnen
overtuigen deze visie te volgen tot meerdere eer, glorie en vooral
vooruitgang en goed bestuur. Zij moeten dus kunnen voorlopen op de
bevolking. Zij zijn beter geïnformeerd dan de doorsnee burger. Net
zo
goed als de minister zijn oor moet te luisteren kunnen leggen, moet hij
ook de weg kunnen tonen.
Beslissingen mogen dus niet genomen kunnen worden door
een louter
‘opinieonderzoek’. Dat zou namelijk de kennis en ervaring van
mandatarissen volledig buiten spel zetten. Dit legt natuurlijk
beperkingen op aan de aard en de soort vragen die in een referendum
voorgelegd kunnen worden.
Bouwstenen
en voorwaarden voor goede
referenda
De referenda zoals hier
voorgesteld verschillen dus
totaal van wat
de Belgische en Vlaamse wetgevers onder die naam voorstelden. Jos
Verhulst omschrijft die als "een soort nep-referendum (...) een
niet-bindende en niet-afdwingbare volksraadpleging, waarmee burgers dus
niets kunnen aanvangen."(11). Een opiniepeiling of een omhooggevallen
petitie, daar komt het op neer.
De argumentatie pro is reeds deels toegelicht. Regerende
politici en
sommige wetenschappers staan afwijzend tegenover referenda(12). Waarom?
De argumentatie contra valt uiteen in twee luiken,
enerzijds
praktische bezwaren, anderzijds principiële. Het referendum zou
bijvoorbeeld niet verzoenbaar zijn met de Belgische grondwet(13), noch
met de representatieve democratie. De grondwet zou namelijk enkel ‘de
Natie’ als enige, hoogste soevereine macht aanwijzen. Allemaal mooi en
wel, maar waarom moet daarbij ‘het volk’ dan uitgesloten worden van
directe invloed in die ‘Belgische Natie’? Daarenboven, moet de grondwet
niet juist de vaste volkswil uitdrukken, eerder dan als een dwangbuis
elk ‘te democratisch debat’ de mond te snoeren?
Dat argument is om meerdere redenen onaanvaardbaar, en
zelfs
archaïsch. Alsof de grondwet niet meer gewijzigd mag worden en
alsof
een weloverwogen procedure niet voldoende waarborgen kan bieden! Deze
verdoezeling, want meer is het niet, is toevallig wel handig om de
almacht van de Particratie te verhullen en te vergoelijken. Nogmaals
Jos Verhulst: "Wanneer machtsruimte moet geschapen worden voor
politieke partijen, is een onderscheid tussen juridische Grondwet en
reële Grondwet toegestaan. Wanneer macht bij de burgers moet
terechtkomen, moet de werkelijkheid samenvallen met de Grondwet.". Vele
experts bevestigen dat invoering van referenda niet graag gezien wordt
door de feitelijke machtshebbers, en dan vooral door de zuilen, de
topministers, partijleiders, en de grote belangengroepen. Zij zouden
door referenda immers veel macht, of beter gezegd, ‘heimelijke macht’
kwijtspelen.
Die argumentatie is ronduit verwerpelijk: een grondwet
dient immers
om de burgers te dienen, en niet andersom! De grondwet moet met dat
doel voor ogen aangepast kunnen worden. Als een democratische
meerderheid de grondwet wil veranderen, dan is er geen enkel
democratisch argument waarom dat niet zou mogen. Beweren dat referenda
niet mogen want strijdig met onze grondwet is daarom een flagrant
ondemocratisch bedrog: ze stelt elke toekomstige democratische
meerderheid buiten spel en ze verlamt daardoor de democratie.
Overigens, alleen al het feit dat referenda gewaardeerd
worden in al
die andere landen weerlegt deze principiële tegenwerping. Als het
daar
wel werkt, waarom zou het dan hier niet kunnen? Zijn dat dan geen
democratische landen meer? Zijn de verkozenen daar soms buiten spel
gezet? Neen toch! Of zijn onze burgers hier soms zoveel dommer?
Natuurlijk niet.
Dat onderscheid tussen ‘juridisch’ en ‘reële’ Grondwet
is dus
slechts een woordspelletje waarmee men een particuliere Belgische
toestand, te weten het zuilenbestel en de particratie, uit de wind wil
zetten. In andere democratische staten ziet men geen zulke
principiële
bezwaren tegen bindende referenda. Deze argumenten tégen zijn
dus
specifiek Belgisch, en daarom van maar zeer beperkte geldigheid. Het
zijn slechts schaamlapjes voor de angst van de particratische elite dat
het volk wel eens haar privileges zou kunnen doorbreken. Reden te meer
waarom het referendum nodig is.
Merk ook op dat recent meerdere democratische landen het
referendum
invoerden. Er zijn er echter geen bekend waar het afgeschaft is, of in
onbruik raakte. De trend is dus duidelijk.
Anderen werpen op dat een referendum nooit op een
perfecte wijze de
volkswil kan uitdrukken. Onder opkomstplicht zouden ook de
niet-geïnteresseerde en de minder geïnformeerde burgers een
stem moeten
uitbrengen, met wisselvallige en mogelijk schadelijke uitkomsten als
gevolg. Onder vrije opkomst, stemrecht, zouden sommige groepen zoals
laaggeschoolden minder deelnemen aan de besluitvorming dan
hogergeschoolden. Dit is echter niets meer dan gesofistikeerd gevit van
de farizeeërs. Immers, zelfs als de helft niet zou stemmen, of als
ook
‘slecht-geïnformeerden' een stem zouden uitbrengen, dan nog is het
referendum de uitdrukking van de stem van miljoenen Vlamingen,
véél
meer dus dan de volksvertegenwoordigers die hun macht dan nog in zekere
mate afstaan aan belangengroepen. Kortom, de stem van zoveel burgers,
uitgebracht onder een goede procedure, kan juist veel meer de ware
uiting van volkswil zijn dan welke assemblee dan ook!
Daarenboven, als de kiezers echt ombekwaam zouden zijn
om zich over
beleidsvragen uit te spreken, waarom zouden ze dan wel bekwaam zijn om
geschikte vertegenwoordigers aan te wijzen? Ook deze argumentatie tegen
referenda rammelt langs alle kanten en stinkt naar weinig democratische
ideeën.
Een op het eerste zicht wel steekhoudend argument contra
is dat
referenda inhoudelijke rijping van dossiers zou kortsluiten en/of de
werking van de verkozenen zou kunnen hinderen(14). De experts doen er
soms lang over om een complex dossier te doorgronden; daarna duurt het
dan nog even voor een goed voorstel op tafel raakt. Dit bezwaar raakt
evenwel niet aan het principe van het referendum, maar slechts aan de
vorm die men het geeft.
Daarom ook dat én experts én verkozenen in dit voorstel
een
belangrijke rol krijgen. Experts moeten voorafgaand advies geven aan de
initiatiefnemers over de degelijkheid van hun voorstel. Daarna moeten
experts in de bevoegde instellingen het voorstel ook officieel op haar
degelijkheid onderzoeken en waarborgen. Dat onderzoek slaat én
op de
financiële aspecten (met onder meer een kosten-batenanalyse),
én op de
praktische haalbaarheid, én op de begrijpelijkheid van (de
formulering
van) het voorstel, én op de haar juridisch-technische
kwaliteiten. Het
spreekt voor zich dat dit ook de nodige openbare debatmogelijkheden
veronderstelt.
Daarom ook de nood aan een gepaste timing. Al deze
consultaties
vragen een zekere inzet en tijd. Dat biedt de verkozenen dan tegelijk
wel de gelegenheid om hun steentje bij te dragen. Daarom ook dat de
bevoegde instanties bepaalde voorstellen –waarvoor het dossier nog niet
rijp en onvoldoende bekend is- zouden moeten kunnen uitstellen, en in
extreme gevallen zelfs kunnen weigeren(15). Kortom, waarborgen ten bate
van de inhoudelijke rijping van de dossiers zijn perfect mogelijk.
Daarnaast moeten ook de verkozen mandatarissen kunnen
deelnemen aan
de procedure, hetzij door een voorstel zelf goed te keuren, hetzij door
er een nog beter alternatief voorstel naast te leggen. Met deze twee
elementen kunnen we dan stellen dat: "Introductie van het referendum
betekent niet het loslaten van de idee van de representatieve
democratie, maar alleen (...) een versterking van de democratische
component ervan."(16).
Terzijde: dat het zuilenbestel, die conservatieve
Belgische
machtscoalitie, en haar klerken het referendum zo hard bestrijdt(17),
is op zich reeds een goede reden waarom Vlaanderen volwaardige
soevereine machten moet opeisen. Het Belgische niveau loopt namelijk te
zeer vast; vanuit Vlaanderen moeten we die conservatieve blokkeringen
kunnen omzeilen(18).
Tot slot van dit overzicht nog één waarschuwing:
verwacht niet dat
referenda een perfecte democratie zullen opleveren, verre van. Velen
merkten al op dat verkiezingen de volkswil niet perfect tot uitdrukking
brengen, maar dat ze wel de onderlinge machtsverhoudingen binnen de
elites laten evolueren. Bedoeling is dus om dat veilig te stellen,
én
om de machtsbalans tussen volk en elite enigszins naar het volk te
verschuiven, zonder daarbij de kennis en ervaring van de experts en
mandatarissen ook maar iets buiten spel te zetten. Het referendum is
een democratische noodzaak, een zaak van elementaire politieke
hygiëne.
Vele praktische tegenargumenten zijn respectabel. Een referendum is
niet op eender welke manier zinvol, noch voor eender welke vraag. In
wat volgt zullen we aantonen dat een gepaste procedure al deze bezwaren
voldoende kan opvangen.
Een efficiënte en democratische
procedure
Relevante vragen betreffen onder meer de reikwijdte van,
en de
optimale procedure voor de verschillende soorten referenda. Het
referendum is namelijk geen wondermiddel dat in één klap
licht in de
duisternis brengt: "A referendum does not automatically lead to a
rational debate focusing on the issue to be decided on."(19). De
procedure moet daarom de nodige tijd en voorwaarden ter bevordering van
een ernstig openbaar debat voorzien en waarborgen. Zo mag de kiezer
niet elke zondag opgeroepen voor één of andere
pietluttige vraag.
Anderzijds mag het niet de bedoeling zijn dat enkel machtige of
kapitaalkrachtige groepen referenda kunnen initiëren. Het mag
evenmin
verworden tot een instrument in de machtsspelletjes van de regeerders.
Een volksinitiatief moet een goede slaagkans genieten.
Daarnaast stelt zich de vraag naar de vereiste
meerderheden voor de
referenda. In dit voorstel is een voorstel slechts aangenomen mits
instemming van een meerderheid van de uitgebrachte stemmen én
minimaal
20% van het aantal stemgerechtigden. Er moet ook een quorum bepaald
worden voor indienen van een petitie met een referendumvoorstel en voor
het voorleggen van het referendumvoorstel zelf. De in Zwitserland
gangbare percentages -één à twee procent van het
aantal
stemgerechtigden van de betrokken kieskring- lijken best redelijk. Het
starten van de procedure moet reeds eerder kunnen. WIT formuleert
daarvoor een redelijke drempel van 0,2%(20).
De door ons voorgestelde procedure voor een wetgevend
referendum
(aangepaste procedures voor lagere besluitvorming) omvat volgende
chronologische stappen die in pakweg zes à tien maanden
doorlopen
moeten kunnen worden:
- Officieel neerleggen van een vraag tot referendum
middels een
petitie. Dat vereist een relatief laag quorum. De initiatiefnemers
moeten daarbij als waarborg op de ernst van het voorstel een zekere
geldelijke borg neerleggen.
- De initiatiefgroep krijgt het recht om haar
voorstel toe te lichten
in de bevoegde raad (parlement, gemeenteraad, …). Deze kan het voorstel
dan zelf goedkeuren of een eigen voorstel uitwerken. Voor beide opties
wordt een geheime stemming voorzien als waarborg tegen particratische
dwang en tegen overmacht van de uitvoerende macht.
- Verplicht inwinnen van wetenschappelijk, financieel
en juridisch advies (op eigen kosten voor de initiatiefnemers).
- De initiatiefgroep kan haar voorstel in deze fase
bijsturen en
laten herevalueren. De geraadpleegde specialisten ondertekenen een
gemotiveerd advies, gevolgd door openbare publicatie van het finale
voorstel én van de finale adviezen.
- Beoordeling van het voorstel door de bevoegde en
bekwame Vlaamse
instellingen(21) op ‘juridisch-technische kwaliteiten’ (zoals de
samenhang met de grondwet en wetgeving, en de begrijpelijkheid), en op
toepasbaarheid (zie ook verderop).
- Deze instellingen kunnen een voorstel onmiddellijk
goedkeuren, het
voorwaardelijk goedkeuren, of de initiatiefnemers oproepen voor nadere
toelichting en bespreking. Daarna volgt (voorwaardelijke) goedkeuring
of afkeuring. Ze publiceren hun beoordeling met een gedetailleerde
motivatie en eventuele adviezen voor verbetering.
- Bij voorwaardelijke goedkeuring of uitstel voor
toelichting, moeten
de bezwaren omstandig toegelicht worden. Er moet dan minstens
één wel
in alle opzichten aanvaardbare alternatieve formulering toegevoegd
worden(22). Leden van de bevoegde raad moeten hierbij vrijblijvend
advies kunnen geven(23).
- Na deze toelichting en verdediging kunnen de
initiatiefnemers hun
voorstel nogmaals bijsturen. Het wordt dan opnieuw voorgelegd, waarna
een definitieve beoordeling volgt: positief, positief onder voorwaarden
of negatief. Een negatieve beoordeling vereist dat minstens twee derde
van de bevoegde raadsleden dit steunen. Deze stemming is geheim als
waarborg tegen inmenging.
- Bij voorwaardelijk positieve beoordeling worden de
voorwaarden geformuleerd door die raadsleden die niet tegen stemden(24).
- Bij negatieve beoordeling vervalt de waarborg. Bij
positieve mogen
de initiatiefnemers deze reserveren voor de vergoeding van hun experts.
- Na positieve beoordeling moeten de initiatiefnemers
het (hogere)
quorum voor een referendumvoorstel nastreven. Hiervoor krijgen ze een
redelijke tijd. Eenmaal dat quorum bereikt is, wordt een datum bepaald
voor voorlegging aan de kiezers.
- Na positieve beoordeling (al dan niet
voorwaardelijk) verkrijgen de
initiatiefnemers ook een gegarandeerde minimale toegang tot alle radio-
en TV-zenders én tot de geschreven pers(25).
- De bevoegde raad is nu verplicht om het voorstel
omstandig te
bespreken, met uitgebreid spreekrecht voor de initiatiefnemers. Deze
moeten hun voorstel toelichten in de mate waarin de raad dat
vraagt(26). De raad kan het voorstel dan alsnog overnemen, of een eigen
voorstel uitwerken (waarna het eveneens onder dezelfde criteria
beoordeeld wordt)(27).
- Tenzij de bevoegde raad het voorstel ongewijzigd
goedkeurt, zal het
referendum-voorstel aan de kiezer voorgelegd worden(28). Het is
aangenomen mits quorum voor goedkeuring (20% van de stemgerechtigden)
én meerderheid van de uitgebrachte stemmen; een wijziging van de
grondwet is pas goedgekeurd wanneer én een meerderheid van de
kiezers,
én minstens 30% van de stemgerechtigden het goedkeuren.
- Wanneer niet de helft van deze beide voorwaarden
bereikt is, vervalt alsnog de waarborg.
- Het goedgekeurde besluit moet aanstonds
gepubliceerd én binnen de voorziene termijnen toegepast worden.
- De initiatiefnemers verkrijgen de expliciete
bevoegdheid om, na
goedkeuring, de toepassing ook administratief-rechtelijk én
strafrechtelijk af te dwingen. Ze zullen ook kunnen deelnemen aan
gemengde evaluatievergaderingen.
- De via referenda goedgekeurde regelgeving kan niet
ongedaan gemaakt
worden door een gewoon besluit van de bevoegde verkozen raad. Een
nieuwe referendum –na een verplichte rustperiode van minstens enkele
jaren- is de gewone herzieningsmogelijkheid.
Nationaal is er
natuurlijk steeds nog een tweede
mogelijkheid tot
herziening, namelijk een grondwetswijziging, maar dan onder de
aangepaste methode die hier wordt voorgesteld, namelijk met de bredere
en betere adviezen, én met verplicht ratificatiereferendum.
Misschien moet toch nog een mogelijkheid voorzien worden
tot
herziening via de raad, zonder de onvermijdelijk zware procedure van
een grondwetswijziging. Het bevorderen van een zo coherent mogelijk
beleid is daarbij een overweging. Anderzijds is dat géén
reden om die
‘hogere legitimiteit’ van de volksdemocratie via referenda uit te
hollen. Een mooi compromis tussen deze twee ogenschijnlijk
tegengestelde overwegingen is om de raad toch het recht te geven een
referendumbesluit aan te passen (na dezelfde wachtperiode), maar mits
eveneens goedkeuring in een ratificatiereferendum.
Het initiatiefrecht wordt bij elke stemgerechtigde
burger gelegd.
Daarbij moet ook bescherming voorzien worden tegen manipulatie.
Uitsluiting van mandatarissen zoals ministers, burgemeesters en
schepenen is daartoe één van de mogelijkheden. Zinvol is
ook dat de
herkomst van de financiële middelen bij de initiatiefnemers bekend
gemaakt moet worden(29), evenals maximale openheid aangaande de
samenstelling van de initiatiefgroep. Hiertoe kunnen we alle
bestuursleden van verenigingen die lid zijn van een initiatiefgroep
verplichten zich ook als dusdanig bekendmaken.
Beoordeling en toezicht door bevoegde
instellingen
Een sleutelrol in dit voorstel spelen de instellingen
die elk
voorstel moeten beoordelen op haar ‘technische’ haalbaarheid. De
geschikte instellingen voor deze beoordeling lijken me een Vlaams
Rekenhof en een Vlaams Oppergerechtshof. Bij gebrek aan deze zijn
Vlaamse staatsraden en Vlaamse auditeurs van het Rekenhof
aangewezen(30). Beide instellingen moeten de voorstellen beoordelen. Ze
zullen deze, mits mogelijkheid tot tegensprekelijke verdediging
én
bijsturing, zelfs kunnen tegenhouden op basis op volgende criteria
(uitsluitingsgronden):
- Juridisch-technische haalbaarheid of volledigheid
(zoals, waar
relevant, de nodige richtlijnen gelijkwaardig aan ministeriële en
uitvoeringsbesluiten);
- Ernstige administratiefrechtelijke problemen;
- Strijdigheid met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur;
- Onduidelijke of te vage formulering;
- Ontbrekende of twijfelachtige kosten-batenanalyse;
- Géén onredelijk hoge voordelen voor
één beperkte
maatschappelijke groep(31);
- Géén slechts extreem lage kans op
goedkeuring;
- Géén vragen met een dringend karakter;
- Géén voorstel over
éénzelfde thema binnen een
periode van 5 jaar na een vorig voorstel (wachtperiode).
Het spreekt voor zich
dat deze beoordelingen binnen
redelijke
termijn moeten gebeuren. Beide instellingen oordelen elk afzonderlijk
positief, negatief, of voorwaardelijk positief. In dit laatste geval
kunnen ze voorwaarden opleggen om het voorstel in overeenstemming met
de gestelde voorwaarden te brengen(32), of om het toepasbaar of
verstaanbaar te maken. Indien één van beide instellingen
meent dat het
voorstel niet aanvaardbaar is, dan moet ze haar bezwaren publiek
toelichten en de voorstanders de kans geven hun voorstel te
verdedigen(33). Indien het oordeel daarna negatief blijft, wordt het
voorstel onontvankelijk verklaard. Dit vereist een instemming van twee
derde meerderheid van de betrokken raadsleden (staatsraden of
auditeurs) in een geheime stemming. Het geheime karakter van deze
stemming is absoluut onontbeerlijk gezien de huidige overmacht van de
partijleiders en van de uitvoerende macht op wetgevende macht en
ambtenarij.
Indien er twijfels bestaan bij de kosten-batenanalyse
van de
initiatiefnemers, of over andere aspecten van de ‘zuiver technische
toepasbaarheid’, kunnen bijkomende voorwaarden opgelegd worden. Dit
kunnen voorwaarden aan specifieke onderdelen van het voorstel zijn. Zo
kan gevraagd worden om voorgestelde uitgaven te verlagen. Anderzijds
kunnen opschortende of beperkende bepalingen toegevoegd worden. Deze
worden dan bij de verplichte latere evaluatie beoordeeld. Indien
daarbij niet voldaan is aan de voorwaarden, dan zal de toepassing van
het referendumbesluit op de vooraf gekende wijze bijgestuurd moeten
worden. Indien bijvoorbeeld blijkt dat kosten merkelijk hoger liggen,
of de baten merkelijk lager, of dat algemene beginselen van behoorlijk
bestuur toch geschonden zijn, dan wordt bijgestuurd. Die bijsturing zal
dan gebeuren op die wijze die reeds voorzien is bij uitwerking van het
referendumvoorstel.
Eén van de formele voorwaarden is dat voorstellen geen
onevenredig
en onredelijk grote verschillen in relatieve baten en lasten voor
specifieke bevolkingsgroepen mogen opleveren. Dat moet het
gelijkheidsbeginsel waarborgen. Het is namelijk ongezond regels te
voorzien die onevenredige baten opleveren voor één groep,
maar de
kosten afwentelen op de hele maatschappij. Het risico bestaat dat onder
schijnbaar nobele argumenten corporatistische baten schuilen. Auteurs
zoals Mancur Olson toonden voldoende aan dat corporatistische
eigenbelang dikwijls leidt naar voorstellen met zéér hoge
maatschappelijke kosten(34).
Deze voorwaarde, net zo goed als de meeste andere
kwalitatieve
voorwaarden die hier ontwikkeld worden, zouden idealiter natuurlijk ook
moeten gelden voor de ‘gewone’ wetgeving door het Parlement en de
lagere raden.
Een bijkomende waarborg op de selectiviteit van de
procedure voor
referenda is de formele voorwaarde van een ‘minimale slaagkans’ van een
voorstel. Dat verwijst naar een minimale vermoedelijke kans dat een
meerderheid van de kiezers voor stemt. Die vermoedens kunnen
voortvloeien uit consistente resultaten van meerdere opinieonderzoeken.
Het uitgangspunt is dat de slaagkans niet extreem laag mag liggen;
zoniet worden de kiezers onnodig lastig gevallen. Kleine groepjes
zullen hierdoor het referendum niet kunnen misbruiken om aandacht op te
eisen voor extreme standpunt(en). Een voorstel voor afschaffing van het
stakingsrecht of van de gelijkheid tussen man en vrouw zal om deze
redenen niet toegelaten worden. Ze maken immers geen reële kans
bij de
kiezer(35).
Een volstrekt andere voorwaarde betreft de aard en
complexiteit van
het voorstel. Vragen moeten begrijpelijk zijn voor de kiezers. De vraag
of een chemische verbinding moet toegelaten worden voldoet niet aan
deze vereiste. De doorsnee burger, en zelfs een gemiddelde universitair
kent immers te weinig van chemie om dat zinnig te kunnen beoordelen.
Het zinvol beantwoorden van de vraag mag dus geen specifieke kennis
vereisen. Te technische en complexe vragen moeten dus sowieso aan
specialisten en mandatarissen overgelaten worden.
Vragen met een zeer dringend karakter zullen, om
evidente
procedurele redenen, evenmin via een referendum voorgelegd kunnen
worden. Vooral de eerder principiële vragen zullen wel voorgelegd
kunnen worden: vragen over directe toepassing van de grondwet;
institutioneel belangrijke veranderingen; goedkeuring van
internationale verdragen, evenals goedkeuring van begrotingen. In het
verlengde hiervan lijkt het ook aangewezen dat bevoegde instellingen te
éénzijdig partijdige, of te verhullende vraagstellingen
kunnen
weigeren(36).
Me dunkt moet ook voorgeschreven worden dat de
vraagstelling zo
concreet mogelijk is. Het beoogde beleid is immers enkel en alleen
concreet van aard, eerder dan idealistische gedroom. Daarbij moet
ervoor gezorgd worden dat de publieke verantwoording –toegevoegd aan
het initiële voorstel- voldoende en relevante informatie
verschaft.
Daarmee wordt vermeden dat de kiezers door een manipulatieve vraag op
het verkeerde been gezet worden. De vraag mag niet vooral het idealisme
van de mensen aanspreken om hen te doen kiezen voor iets dat ze
één
concrete invulling misschien helemaal niet bijtreden.
Kortom, in dit voorstel mogen de ‘begeleidende
instellingen’ slechts
restrictief gebruik maken van hun recht om voorstellen af te wijzen. Ze
moeten waken over de kwaliteit en transparantie van de procedure en
over de algemene beginselen voor behoorlijk bestuur. Ze moeten ertoe
bijdragen dat de kiezer een goed geïnformeerde en weloverwogen
keuze
kan maken, veel eerder dan te beslissen waarover hij mag kiezen. Hun
taak is dus vooral bewaking van de procedure en de toepasbaarheid(37).
Voorstellen zullen dus slechts ‘uitzonderlijk’ geweigerd mogen worden.
Wel essentieel is het publieke, tegensprekelijke debat.
Het vereiste respect voor de algemene beginselen voor
behoorlijk bestuur is tegelijk ook een waarborg tégen mogelijke
conflicten met onze Europese en internationale verplichtingen. Het
vermijdt dat referendumvoorstellen strijdig kunnen zijn met Europese en
internationale verdragen(38).
Indieners van een ‘ontvankelijk’ voorstel moeten daarna
toegang
krijgen tot die media en zenders die publiceren of uitzenden over heel
het gebied waarvoor het ingediende voorstel zal gelden. Sommigen zullen
opwerpen dat dit indruist tegen de vrijheid van meningsuiting en pers.
Dit argument slaat evenwel de bal volledig mis: immers, redacties
–met uitzondering van de openbare omroepen- behouden het volste recht
om een eigen, al dan niet partijdige mening te uiten; ze worden enkel
verplicht om ook minimaal aandacht te besteden aan elk erkend voorstel
én aan de adviezen van de bevoegde instellingen(39).
Véle specialisten en voorstanders van referenda pleiten
ervoor dat
kiezer een overzichtelijke neutrale informatiebrochure krijgt over de
standpunten van voor- en tegenstanders(40).
Sommige voorstanders van
referenda wensen goedkeuring
zonder
opkomstdrempels. Dit lijkt me gevaarlijk en extreem. Dan kan elke
kleine club de publieke aandacht ‘gijzelen’. Daardoor wordt de agenda
snel overladen en vervalt een belangrijke verantwoording, namelijk de
volkssoevereiniteit en de betere uitdrukking van de wil van het volk.
Totale afwezigheid van opkomstdrempels schept ook een ander groot
risico: voorstellen die slechts een kleine minderheid wenst, maar die
veel tegenstanders onvoldoende boeit zouden door een speling van het
lot toch goedgekeurd kunnen worden. Een lage, minimale opkomstdrempel
lijkt me daarom aangewezen.
De hier voorgestelde vorm daarvan is géén minimum aan
stemmers, maar
enkel een minimum aan voorstemmers (wat indirect natuurlijk ook een
minimum aan stemmers oplevert). Zo’n lage drempel biedt tegelijk ook
een bijkomende waarborg tegen extremistische of ‘freak-proposals’.
Plaats
van regelgeving via referenda in
de hiërarchie
van de normen
Uit de verantwoording
van referenda volgt dat een
verkozen raad
nooit met een gewoon meerderheidsbesluit mag ingaan tegen die regels
die via referendum door het volk zijn goedgekeurd. Vandaar dat de via
referenda goedgekeurde regelgeving niet ongedaan gemaakt kan worden
door een besluit van een verkozen raad.
Wetgeving via referenda krijgt dus een plaats in de
hiërarchie der
normen onder de grondwetsbepalingen, maar boven die van de gewone
regelgeving. Voor grondwetswijzigingen komt dit voorstel neer op
invoering van een betere procedure met aanzienlijk strengere
democratische waarborgen.
Welke
verplichte ratificatiereferenda?
Uit de voorheen
ontwikkelde argumentatie volgt dat de
burgers zich
ook moeten kunnen uitspreken over de allerbelangrijkste beslissingen en
over hoogte van de openbare uitgaven, zoals gestemd door haar
vertegenwoordigers. Zoals eerder reeds vermeld, blijft het onzinnig om
de kiezers te pas en te onpas te laten opkomen. Daarom de beperking van
de scope van ratificatiereferenda tot aanpassingen van de grondwet,
én
van internationale en Europese grondwettelijke verdragen.
Voor goedkeuring van een reeds door de bevoegde raad
goegekeurd
besluit volstaat een gewone meerderheid van de stemmen met een minimum
van 20% der stemgerechtigden(41).
Voor begrotingen en jaarrekeningen kan men zich afvragen
in
welke mate deze te onderwerpen aan ratificatiereferenda. Altijd? Alleen
wanneer er twijfel bestaat, of gerechtigd is?
Eventueel verlicht men de ratificatieprocedure door ze
niet steeds
verplicht te maken. Zo kan men de middelen voor controle en toezicht
door bevoegde instellingen verruimen. Men kan hun de kans geven een
begroting slechts voorwaardelijk goed te keuren. Finale goedkeuring
vereist dan een referendum. Zo’n referendum is dan niet meer jaarlijks
verplicht. Men kan ook alle begrotingen in onevenwicht aan verplichte
ratificatie onderwerpen.
Een variante zijn verplichte ratificatiereferenda voor
alle
begrotingen ingediend door een bewindsploeg die voorheen reeds een
begroting goedkeurde die achteraf negatief of merkelijk slechter bleek
dan voorzien. Dat levert dan tegelijk een extra waarborg tegen
manipulatie van begrotingen (systematisch onderschatten van uitgaven en
overschatten van inkomsten en zo). Tenslotte lijkt het ook gepast om de
vergoedingen van politieke mandatarissen integraal te onderwerpen aan
ratificatiereferenda.
Ter
afronding
Referenda zijn
noodzakelijk geworden. Een
enkel-representatieve
besluitvorming -Belgische, Vlaamse, Europese en lokale- leidt namelijk
tot tragere, duurdere, ondoorzichtigere en wispelturigere
besluitvorming. De particuliere Belgische context kent nog enkele
bijkomende problemen die enkel met referenda (deels) opgevangen kunnen
worden.
Dit voorstel beoogt een ‘hoogkwalitatieve’ procedure
voor referenda.
De democratie kan daarmee alleen maar verbeteren. Daarbij is gelet op
het maximaal benutten van alle beschikbare kennis. Parlement, academici
en andere experten worden intensief ingeschakeld.
Tegenstanders formuleerden een paar terechte bedenkingen
en
bezwaren. Het onderzoek daarvan leidde tot een (onverwacht lange) lijst
van uitsluitingscriteria. De redenen waarom bevoegde instanties een
voorstel mogen tegenhouden worden evenwel in een opbouwend keurslijf
gegoten: toepassing ervan is in eerste instantie deliberatief, en elk
bezwaar moet steeds vergezeld zijn van opbouwende voorstellen.
Tenslotte levert dit voorstel mogelijkheden om het
gewone wetgevende
en regelgevende werk te verbeteren. Diezelfde criteria
-juridisch-technische haalbaarheid, respect voor de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur, duidelijke formulering van wetsvoorstellen,
administratiefrechtelijke toepasbaarheid, verplichte
kosten-batenanalyse, géén onredelijk voordelen voor
één groep en géén
voorstel over éénzelfde thema binnen een periode van 5
jaar na een
vorig voorstel- zijn die ook niet integraal toepasbaar op alle
wetgevend werk?
Kortom, met dit voorstel kan de representatieve
democratie
aanzienlijk versterkt worden; het behelst geen Directe democratie
gezien de verkozenen de dragers blijven van 99% van de besluitvorming
én gezien referenda aan strengere voorwaarden onderworpen
worden.
Moeten referenda dan niet, mede omwille van de hoge nood aan
verbetering, in elk toekomstige Vlaanderen behoren tot de kern van de
democratische spelregels en van de exclusieve Vlaamse soevereine
bevoegdheden, naast bijvoorbeeld taal, cultuur en onderwijs?
Uitpers,
nr. 56, 6de jg., september
2004 www.uitpers.be
http://www.uitpers.be/artikel_view.php?id=856
Voetnoten:
(1) Zo moeten bepaalde internationale
verdragen in
België geratificeerd worden door de volksvertegenwoordigingen van
de
drie gemeenschappen, de drie gewesten, en dan door een gewone
meerderheid van de Franse en Vlaamse kieskollege’s in Parlement,
én
door een tweederde meerderheid in elk van beide. Theoretisch geeft dat
10 nodige meerderheden: het ontbreken van één daarvan
blokkeert alles.
Alleen datgene dat binnen de Vlaamse bevoegdheden valt is vereenvoudigd
door de fusie van gewest en gemeenschap. Vlaamse partijen kunnen
goedkeuring met vier nodige meerderheden verhinderen; de Franstalige
genieten daarentegen maar liefst zes blokkeringsmogelijkheden (de
alarmbelprocedure dan nog terzijde gelaten). Zelfs de Duitstaligen
kunnen theoretisch zo’n ratificatie tegenhouden!
(2) Waarmee ik niet wil suggereren dat er
geen
sanitaire schutskring nodig, integendeel. De huidige voldoet echter
niet. Hij moet daarom of vervangen worden door iets stevigers, of
afgevoerd worden.
(3) Dit staat dan wel lijnrecht tegenover
al wie de
absolute macht bij regering en/of parlement willen laten. Sommigen
stellen dat een regering steeds het allerhoogste gezag moet genieten.
Zij oordelen dat de volksvertegenwoordigers, en meer nog de bevolking,
nooit in staat mogen zijn om andere keuzen te maken dan de regering! Is
dat echter geen gevaarlijke ontkenning van de democratie en de kern van
de soevereiniteit van het volk?
(4) We onderscheiden hier referenda –per
definitie
beslissend- van volksraadplegingen en petities die raadgevend,
vrijblijvend en dus niet-bindend zijn.
(5) Ratificatiereferenda lijken met name
aangewezen
zinvol voor de belangrijkste beslissingen en beleidsmaatregelen.
Grondwetswijzigingen zijn daarvan een prototypevoorbeeld.
(6) Ook sommige Latijns-Amerikaanse
staten kennen
referenda. Dat is in die landen echter een eerder marginale zaak, onder
meer doordat het dikwijls voorkomt als één van de
intrige- en
manipulatiemiddelen voor de niet zelden autoritaire presidenten. De
invloed van het leger én van het peronistische populisme is daar
waarschijnlijk niet vreemd aan.
(7) Ook in Frankrijk zijn referenda
mogelijk. Daar is dat echter meer een machtsmiddel van de president.
(8) Dit systematisch samengaan van
referenda en
democratie –nog steeds een minderheidsfenomeen onder de VN-leden- is
een des te relevanter kenmerk. Ook in ‘semi-democratische staten’, of
in staten met zware conflicten met etnische minderheden zoals
Joegoslavië en het huidige Rusland komt het niet echt voor.
Hetzelfde
geldt voor alle socialistische en andere dictaturen. Het referendum
lijkt dus een kernmerk van wat we kunnen omschrijven als ‘de hoger
ontwikkelde democratieën’.
(9) Zo vermeldt prof. W. Dewachter dat
anno 1992
51%van de Belgen voorstander is, slechts 21% tegen, en 28% onbeslist,
in ‘De mythe van de parlementaire democratie’, p. 76. In Nederland nam
het aantal voorstanders van referenda tussen 1971 en 1998 zelfs toe van
50% naar 80% (Sociale en Culturele Verkenningen 1999. Den Haag: Sociaal
en Cultureel Planbureau, p.37)! Jos Verhulst vermeldt een artikel uit
Knack (7 okt. 1998) volgens welke 71% van de Vlamingen referenda wensen
op federaal Belgisch niveau (‘Het verdiepen van de democratie. Feiten,
argumenten, ervaringen omtrent de invoering van het referendum’). De
beweging WIT heeft op haar webstek een uitgebreid overzicht van deze
bijval in vele landen ( www.directe-democratie.be ).
(10) Ibid, p. 77.
(11) Cfr. ‘Alleen de werkelijkheid
telt... Het
referendum en de Belgische Grondwet’, bijdrage van Jos Verhulst in
Secessie, augustus-september 2002. [Zie ook het stuk van Jos Verhulst
in dit nummer van Uitpers].
(12) Sceptici: politici zoals Jean-Luc
Dehaene, Elio
Di Rupo, en academici zoals prof Jan Velaers en Patricia Popelier, cfr.
‘Bieden referendum of volksraadpleging een democratische meerwaarde’,
2002.
(13) Cfr. bijdrage van prof. Jan Velaers
in
Fleerackers (ed.), ‘De Re Ferenda Een meta-juridische conflictanalyse
van het referendum’, Larcier, Gent, 2001, en in ‘Het referendum en de
volksraadpleging on grondwettelijk perspectief’, bijdrage in
‘Democratie in ademnood? Over legitimiteit, legitimatie en verfijning
van de democratie’.
(14) Zo vraagt Jan Velaers zich af: "Is
de directe
democratie verzoenbaar met de indirecte democratie, met de
representatieve democratie", in ‘Democratie in ademnood?’ p. 290.
(15) Een voorbeeld van zo’n voorstel was
(in de jaren
negentig) een vraag tot verbod van plaatsing van GSM-masten in bewoonde
gebieden. Er bestond namelijk véél te weinig
wetenschappelijk onderzoek
om een verbod te verantwoorden. Wel zinvol -in diezelfde periode- was
een referendum rond de vraag naar nader onderzoek, én om met de
resultaten ervan rekening te houden. Bevraging rond GSM-masten en
volksgezondheid moest toen -in de hier voorgestelde opzet- mogelijk
geweest zijn, maar niet eender hoe.
(16) S.W. Couwenberg, ‘Hoe voorbeeldig is
de westerse
democratie? Een kritische evaluatie’, , Kok Agora, Kampen &
Pelckmans, Kapellen, 1998.
(17) In deze kringen hoort men vele
argumenten tegen
referenda. Zo is voor hen een (nationaal) referendum schadelijk omwille
van het risico van tegengestelde meerderheden onder Vlamingen en
Franstaligen (bv. Jan Velaers p. 276 e.v. in ‘Democratie in ademnood?
Over legitimiteit, legitimatie en verfijning van de democratie’). Me
dunkt is dat argument juist een zéér zware aanwijzing dat
het Belgische
niveau een ernstig tekort aan democratische besluitvaardigheid
vertoont, en afglijdt naar conservatief immobilisme; daarom juist moet
er meer gefederaliseerd worden. Immers, als het zo gauw en zo
dikwijls zou voorkomen dat Vlamingen anders kiezen dan Franstaligen, is
het dan nog wel democratisch om toch maar krampachtig zoveel samen te
willen beslissen? Is dat dan niet per definitie een slechtere
besluitvorming met per definitie lagere democratische legitimiteit?
(18) En uiteraard kampen we ook op het
Vlaamse niveau
met een illegitieme overmacht van het zuilenbestel. Vlaanderen is al
evenmin perfect. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat we die excessen
in een Vlaamse omgeving beter onder controle krijgen, denk aan de
mindere politisering.
(19) Cfr. ‘Referendum and debate. A Dutch
case-study.’, Jaap Bos, Dirk Jacobs, Jeanine Suurmond.
(20) ‘Memorandum van WIT, Eerlijke
modaliteiten voor directe democratie’, WIT,
(21) Voorlopig lijken me de Vlaamse
staatraden van de
Raad van State en van het Rekenhof of van de Inspectie van
Financiën
zinvolle kandidaten voor deze taak. Zie ook verderop.
(22) Het doel van dit verplichte
alternatief,
voorgesteld door deze officiële, bevoegde instellingen, is niet om
een
inhoudelijke keuze te maken, maar wel om, zo getrouw mogelijk binnen de
doelstellingen van de initiatiefnemers, een mogelijke formulering voor
te stellen die juridisch, financieel, administratief, en in alle andere
opzichten wel voldoet aan alle formele voorwaarden.
(23) In praktijk zullen voor wetgevende
referendumvoorstellen de leden van de bevoegde commissie(s) van het
Vlaams parlement een zinvol advies moeten kunnen uitbrengen. Zij zijn
immers uit de aard van hun mandaat in zekere mate vertrouwd met de
onderliggende beleidsproblematiek. Daarom lijkt het mij zinvol hen het
formele recht te geven gehoord te worden.
(24) Hiermee beogen we de beste
voorwaarden voor een
zo opbouwend mogelijke inbreng van deze officiële instellingen in
de
procedure.
(25) Initiatiefnemers moeten evenveel
toegang krijgen
tot de media als het bevoegde bestuur (regering, gemeentebestuur, …).
Er wordt ook voorzien dat voor- en tegenstanders een gelijkwaardige
toegang tot de pers krijgen.
(26) Dat betekent dat indien de bevoegde
raad
publieke hoorzittingen houdt, de initiatiefnemers verplicht uitleg
moeten geven. De raad mag daarbij ook vertegenwoordigers van erkende en
andere groeperingen –het maatschappelijke middenveld- uitnodigen voor
hoorzittingen. In die hoorzittingen moeten de initiatiefnemers
uiteraard een gelijkwaardig spreekrecht genieten. Hiermee wordt het
referendum dus zeer nauw verweven met de bestaande besluitvorming. De
verkozen raden verwerven niettemin geen enkele blokkeringsmogelijkheid.
(27) Als de raad een eigen voorstel
uitwerkt,
verschillend van dat van de initiatiefnemers, dan behouden deze het
recht om hun voorstel alsnog voor te leggen aan de kiezer. Indien hun
voorstel wordt goedgekeurd door de kiezers en indien de raad een eigen
voorstel goedkeurt, dan zal het referendumvoorstel voorrang genieten.
(28) De initiatiefnemers kunnen zich
anderzijds ook
aansluiten bij een gebeurlijk compromisvoorstel in de raad. Dat
bespaart hén en de schatkist kosten. Bijkomende voordeel voor de
initiatiefnemers is dan de snellere toepassing.
(29) Dat kan met publicatie(s) bij het
vastleggen van een datum voor de openbare stemming.
(30) Uiteraard wordt wel best een eed van
trouw aan
de Vlaamse instellingen én van loyaliteit ten aanzien van de
legitieme
belangen van Vlaanderen ingevoerd.
(31) Dat zou dan namelijk een
onmiddellijke
tegenstrijdigheid opleveren met het grondwettelijk én Europees
gewaarborgde gelijkheidsbeginsel. Elk voorstel dat, indien het toch
goedgekeurd zou worden, daar hoogstwaarschijnlijk mee strijdig is,
wordt dus best niet ontvankelijk verklaard.
(32) Dit slaat op eventuele belangrijke
verstoring
die een voorstel zou kunnen opleveren aan andere bepalingen in de wet,
maar die niet expliciet voorzien zijn door de initiatiefnemers. Dit is
dus een bescherming tegen schadelijke neveneffecten.
(33) Een beroepsmogelijkheid voor het
Oppergerechtshof kan hierbij eventueel voorzien worden.
(34) Onder meer in ‘The logic of
collective action.
Public goods and the theory of groups’ , Harvard University Press,
Cambridge, Massachusetts,1971 (1965); ‘The Rise and Decline of Nations.
Economic Growth, Stagflation and Social Rigidities’, Yale University
Press, New Haven & London, 1992.
(35) Veralgemeend zal een beperking van
fundamentele grondrechten zelden enige kans maken.
(36) Herinner de opiniepeilingen in de
jaren tachtig
rond plaatsing van de kruisraketten in ons land. Afhankelijk van de
vraagstelling bleken de antwoorden véle tientallen percenten te
verschillen. De vraag ‘Bent u voor of tegen plaatsing van kernwapens
hier?’ leverde een vaste meerderheid tegen op. Elke meer concrete
vraagstelling, genre ‘Moet de NAVO, in antwoord op de 900 kernladingen
op kruisraketten in de Warschaw-pactlanden, hier 300 kruisraketten
plaatsen?’, leverde dan weer grote meerderheden voor plaatsing op!
(37) De waarborg
hierop is dat
de bevoegde instanties bij voorwaardelijke of negatieve beoordeling
steeds hun bezwaren omstandig moeten toelichten en dat ze daarenboven
ook minstens één aanvaardbaar alternatief moeten
voorstellen. Op die
manier hebben de initiatiefnemers dan ook een opbouwend én
rechtszeker
antwoord.
(38) Indien een initiatief dat zou doen,
dan zal de
juridische beoordeling leiden tot voorwaardelijke aanpassing. De
initiatiefnemers hebben natuurlijk steeds de mogelijkheid om expliciet
voor te stellen om het betrokken internationale verdrag op te zeggen.
Dat moet dan expliciet ook zo gervraagd worden aan de kiezers.
(39) Dit ligt overigens in de lijn van de
recente
regelgeving tegen misbruik van monopolies. Wetgever en de rechters in
democratische staten aanvaarden hierin minder en minder misbruiken.
Media hebben dus ook niet het recht om dominante marktposities te
misbruiken, noch individueel, noch in groep. Uiteraard liggen de
plichten voor openbare omroepen merkelijk hoger dan voor de andere
media.
(40) Ze stelt de groep WIT het volgende
voor: "Drie
weken voor het referendum ontvangen de kiesgerechtigden een
kiesbrochure met de tekst van het voorstel, de argumenten van voor- en
tegenstanders en een verslag over de budgettaire en fiscale implicaties
van het voorstel. De diensten van het representatieve orgaan worden
belast met het opstellen van de brochure."
(41) Deze werkwijze kan nog verfijnd
worden. Er
kunnen -al dan niet in overleg met de wetgever- marges vastgelegd
worden waarbinnen de uitgaven moeten blijven ten opzichte van de
goedgekeurde begroting. Dat laat dan ruimte voor inflatie en voor
onvoorzienbare uitgaven omwille van veranderende omstandigheden. Indien
die speling echter overschreden wordt, dan is een bijkomende
ratificatiereferendum nodig.
Via
de achterdeur
President Chirac kondigde
woensdag een referendum
aan over het nieuwe grondwettelijk verdrag van Rome, dat alle eerdere
Europese verdragen moet gaan vervangen. Hoewel aan de afzonderlijke
besluiten hiertoe vaak overwegend binnenlands-politieke calculaties ten
grondslag liggen, is er in Europa blijkbaar een groeiende behoefte de
burger direct te laten oordelen over de merites van dit verstrekkende
verdrag.
Behalve een vijftal kleine landen, waaronder allicht
België, houden ditmaal ook Frankrijk, Groot-Brittannië Spanje
een
referendum.
Polen en enkele andere landen denken er nog over na. Ongeacht het
aantal lidstaten dat een volksstemming organiseert, geldt nu al dat
voor het eerst in de geschiedenis van de Europese integratie een
meerderheid van de 'onderdanen' zich zal uitspreken over een Europees
verdrag.
Ondanks de nadelen die aan een referendum
kleven, moet de plotselinge populariteit van dit instrument ditmaal
worden toegejuicht. In de Europese context, waarin een blijvend
democratisch tekort de legitimiteit van het hele project ondermijnt, is
een referendum een van de weinige
middelen om alsnog, via de achterdeur, de directe democratische
controle binnen te smokkelen.
De oorzaken voor de
populariteit van het referendum
liggen deels besloten in de nieuwe grondwet zelf. Dan gaat het niet om
wat er in het verdrag staat, maar om wat er niet in staat. Want hoewel
het verdrag op een unieke wijze tot stand is gekomen - met behulp van
een conventie van wijze Europeanen - zijn de opstellers niet geslaagd
in hun belangrijkste doelstelling, het
vergroten van de democratische
legitimiteit van de unie. Dit heeft, hand in hand met de
groeiende
euroscepsis in veel Europese landen, de druk op politieke leiders
verhoogd om het resultaat van hun onderhandelingen aan hun burgers voor
te leggen.
In die zin markeren de referenda
ook
een keerpunt tussen oud en nieuw in de Europese integratie. Oude
integratie voltrok zich als een puur door elites getrokken project,
waarbij de legitimiteit werd ontleend aan de grootse resultaten: vrede
en welvaart. Nieuwe integratie, niet langer afgedwongen door
historische erfvijandschap of een nabije dreiging (de Sovjet-Unie),
vereist de democratische instemming van de burger.
Zo bezien zijn noch de toenemende euroscepsis noch de referenda
een 'gevaar' voor de Europese integratie, zoals functionarissen in
Brussel vinden. Beide fenomenen wijzen eerder op de steeds centralere
plaats van de unie in het leven van de Europeanen. Als hun bemoeienis
leidt tot uitstel of afstel van dit verdrag, zullen de politieke
leiders hiervan de consequenties moeten aanvaarden. Een referendum
over de Europese grondwet is spelen met vuur, zeggen tegenstanders, en
zij hebben gelijk.
--> Hoe is dit te rijmen met de vorige uitspraken?
Maar het alternatief, doorgaan op de oude voet, is
uiteindelijk een veel fundamentelere bedreiging voor de Europese
eenwording.
uit De Morgen van
17/7/2004.
Chirac
neemt monstergok met referendum
Volksraadpleging
zaait verdeling bij rechts
Het is een van de
grootste waagstukken uit de presidentiële carriëre
van de Franse president Jacques Chirac. Door een referendum
uit te schrijven over de Europese grondwet tekent hij mogelijk niet
alleen het doodvonnis voor die constitutie, maar ook die van zijn
loopbaan.
De Europese grondwet gaat de Fransen rechtstreeks aan en
dus zullen
ze er ook rechtstreeks over geraadpleegd worden.' Met die woorden
maakte Chirac afgelopen woensdag op de Franse nationale feestdag bekend
dat de Fransen via een referendum
mogen beslissen over de invoering van de Europese grondwet.
Een andere keuze had Chirac niet. Niet alleen de
oppositiepartijen
hadden met klem een volksraadpleging gevraagd, zelfs zijn eigen
regeringspartij UMP had zich tijdens een partijvergadering in Parijs
voorstander van een referendum over de
verdragstekst getoond. Daar komt bij dat Chirac het moreel min of meer
niet kon maken om overeenkomst als de Europese grondwet door een gewone
meerderheid van Assemblèe Nationale en Senaat te laten
ratificeren.
Chirac zou daarmee niet in de geest van de Vijfde Republiek handelen.
Een 'non' zou in de eerste plaats rampzalig zijn voor de
Europese
Unie in het algemeen en de grondwet in het bijzonder. Die grondwet
kan bij een Franse afwijzing waarschijnlijk ter grave worden gedragen.
De ratificatieregels voorzien in een nooduitgang voor het geval
èèn
land de grondwetstekst afwijst. Maar die ruimte wordt waarschijnlijk al
ingenomen door de Britten. Premier Tony Blair beloofde zijn landgenoten
al in april een referendum over de
Europese grondwet. Uit opiniepeilingen blijkt dat ruim 85 procent van
de Britten geneigd is om 'No' te stemmen en het is maar zeer de vraag
of de door de Irak-oorlog zwaar beschadigde Britse premier een
meerderheid van zijn landgenoten over kan halen alsnog 'yes' te
stemmen. De afwijzing van het verdrag door Frankrijk en
Groot-Brittannië, twee van de belangrijkste EU-landen, maakt de
invoering ervan kansloos en stort de Europese Unie ongetwijfeld in een
diepe crisis.
--> Die crisis IS er al: een schrijnend gebrek aan
democratie.
Omdat Frankrijks buitenlandse beleid grotendeels is
toegespitst op
Europa, zal Chirac proberen een overwinning van de 'non'-stemmers
proberen te voorkomen. Een stagnering van de Europese eenwording wordt
in Parijs ook direct als een bedreiging voor het Frankrijk zelf gezien.
Juist om die reden staan de Fransen, in tegenstelling
tot de
Britten, in principe helemaal niet afwijzend tegenover een Europese
grondwet. Volgens opiniepeilingen kan het verdrag rekenen op de
goedkeuring van twee derde van de Franse kiesgerechtigden.
Dat zou het slagen van het referendum
tot een formaliteit moeten maken, ware het niet dat de Franse kiezer
zich de afgelopen decennia bij volksraadplegingen zijn stemgedrag door
andere zaken laat leiden dan het oorspronkelijke referendumonderwerp.
De vernietigende nederlaag die de regeringspartij UMP leed bij de
regionale en Europese verkiezingen in respectievelijk maart en juni,
heeft Chirac laten zien dat de kiezers stembusgangen graag aangrijpen
om hun ongenoegen over het beleid van de nationale regering duidelijk
te maken, ook al gaan de verkiezingen daar helemaal niet over. Een
dergelijk scenario kan zich ook voordoen bij een referendum
over de Europese grondwet.
--> dit toont net aan dat er te weinig
beslissingsmogelijkheden van de bevolking zijn.
De president liet weten dat hij een grote voorstander
van de
grondwet is en daar ook actief campagne voor zal gaan voeren in de
aanloop naar het referendum dat ergens
in de tweede helft van volgend jaar gehouden moet worden.
Het referendum
is koren op de molen van soevereinistische partijen als die van
Philippe de Villiers en Charles Pasqua.
Tijd van 16/7/2004.
Spaans
referendum
in februari volgend jaar
Spanje houdt in februari 2005
een referendum
over de nieuwe grondwet van de Europese Unie. Dat meldden de Spaanse
media. In juni kondigde premier Josè Luis Rodriguez Zapatero al
aan dat
over de grondwet een referendum wordt
gehouden. Zapatero gaf toen geen timing.
De nieuwe EU-grondwet kan pas van kracht worden nadat de 25
lidstaten stuk voor het stuk het licht op groen hebben gezet. Verwacht
wordt dat de Spanjaarden de grondwet steunen. Frankrijk,
Groot-Brittannië, Portugal, Denemarken, Ierland en Luxemburg
plannen
ook een referendum. Ons land, de
Tsjechische Republiek en Polen doen waarschijnlijk hetzelfde.
uit De Tijd 26/7/2004
VLD-fractieleider
wil bevolking
raadplegen over jachthaven
VLD-fractieleidster wil
dat de Dendermondenaars inspraak krijgen in de
eventuele aanleg van een jachthaven in het centrum. Dierickx denkt
daarvoor aan een enquête of een referendum.
«De kostprijs van zo'n jachthaven is zeer hoog, want er moet een
sluis
gebouwd worden aan de afdamming van de Dender. Het Vlaams Gewest neemt
wel de meeste kosten op zich, maar dat is evenzeer
belastingsgeld»,
aldus Dierickx.
De politica wil dat de bevolking
zich kan uitspreken over
de kwestie.
uit Het Laatste Nieuws
19/8/2004
Duitse
oppositie keldert voorstel
over EU-referendum
CDU blokkeert
grondwetswijziging
De christen-democratische
en conservatieve oppositiepartij CDU/CSU
heeft gisteren grote bedenkingen geformuleerd bij het voornemen van de
Duitse regering om een volksraadpleging over de Europese grondwet te
houden. De kans dat Duitsland - in navolging van Groot-Brittannië
en
Frankrijk - alsnog een euroreferendum organiseert, lijkt wel bijzonder
klein te worden.
Op een conclaaf in Berlijn had voorzitter Franz
Müntefering van de
socialistische regeringspartij SPD het voorbije weekeinde aangekondigd
dat de regering van bondskanselier Gerhard Schröder in de loop van
oktober of november een wetsontwerp zal indienen dat referenda
in Duitsland mogelijk moet maken.
Zowel de regering, het parlement als de burgers zouden
volgens het
voorstel van de SPD een volksraadpleging moeten kunnen uitlokken. 'Als
de wet tijdig door het parlement raakt,' verklaarde Müntefering,
'zou
het mogelijk worden om een referendum
over de Europese grondwet te organiseren.' De groene regeringspartner
reageerde meteen enthousiast en verzocht de christen-democraten en
conservatieven de nodige steun te leveren.
Aangezien het voorstel een aanpassing van de grondwet en
dus een
tweederde meerderheid in het parlement impliceert, heeft de regering de
steun van CDU/CSU nodig. De machtige oppositiepartij heeft zich reeds
eerder verzet tegen een uitbreiding van de wetgeving over de
organisatie van referenda en
bevestigde maandag opnieuw dat ze 'grote bedenkingen' heeft bij de
regeringsplannen.
De aankondiging van de socialisten bestempelde CDU/CSU
als 'een populistische ommezwaai'.
Ondanks de organisatie van euroreferenda in
Groot-Brittannië en
Frankrijk had Schröder de voorbije maanden steeds volgehouden dat
de
Duitse grondwet een volksraadpleging onmogelijk maakte.
Volgens een regeringswoordvoerder gaat de aankondiging
van
Müntefering echter niet om een politieke bocht. We hebben steeds
duidelijk gemaakt, aldus de zegsman, dat een dergelijke wijziging van
de grondwet niet beperkt kan blijven tot het dossier van de Europese
grondwet.
uit de Tijd van 31/8/2004
|