| Door Geert Van Hout,
Op dinsdag 26 januari 2010
|
Aantal Hits : 295  |
Gepubliceerd in : nieuws, Europees |
295 hits
Aldus de titel van een paginagroot opiniestuk in de Frankfurter Allgemeine Zeitung
(FAZ) van 15 januari 2010. De drie auteurs zijn niet de eersten de
besten: Roman Herzog was van 1994 tot 1999 bondspresident van Duitsland
en voordien voorzitter van het Duits Grondwettelijk Hof. Frits
Bolkestein was van 1999 tot 2004 Europees commissaris (!) voor onder
meer de binnenmarkt en Lüder Gerken is directeur van het Centrum für
Europäische Politik ( CEP).
De
kernboodschap van Herzog & Co luidt: de EU overtreedt het
subsidiariteitsbeginsel en brengt zo het hele proces van Europese
integratie in gevaar. Het stuk is een scherp pleidooi voor een
striktere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.
Wanneer
politieke zwaargewichten zoals Herzog en Bolkestein, die de Europese
integratie-idee gunstig gezind zijn, tot de conclusie komen dat de EU
de verkeerde weg opgaat, kunnen we maar beter naar hun argumentatie
luisteren. Daarom volgt hieronder een ingekorte versie van het artikel.Maar
eerst wil ik van de gelegenheid gebruik maken om te verwijzen naar het
in Vlaanderen en Nederland te weinig opgemerkte opiniestuk "Europa entmachtet uns und unsere Vertreter" ( Engelse versie), dat Herzog en Gerken op 12 januari 2007 in de krant Welt am Sonntag
publiceerden. In die bijdrage bekritiseerden ze, naast het democratisch
deficit in de EU, ook de mechanismen van de "sluipende centralisering"
van bevoegdheden. Met dat laatste wordt de sluikse
bevoegdheidsoverdracht van allerlei materies naar Europees niveau
bedoeld. In het Welt-artikel vroeg Roman Herzog zich af of men
Duitsland nog wel een parlementaire Democratie mag noemen, aangezien 80
% van de Duitse regelgeving "uit Brussel" komt. Het stuk lokte in
Duitsland een controverse uit ("Mythos 80 %"), die tot vandaag
voortduurt. Het stuk uit de FAZ kan men zien als een vervolg op het Welt-artikel, aangepast aan de nieuwe realiteit van een EU-na-Lissabon.
Ik geef - zonder commentaar - de kritiek en de voorstellen van de drie heren ingekort weer. Dit is dus geen letterlijke en geen volledige vertaling van het opinieartikel. Wel heb ik getracht om de inhoud zo volledig en getrouw mogelijk weer te geven. Een "verzorgde kladvertaling", zeg maar.
"De EU schaadt de Europese idee" (ingekorte snelvertaling)
door Roman Herzog, Frits Bolkestein, Lüder Gerken
FAZ 15 januari 2010
Nu
het Lissabon-verdrag van kracht is, moeten de lidstaten en alle Duitse
politici hun aandacht eindelijk diepgaand en ernstig aan de EU-politiek
wijden.
Meer
dan 80 % van de in Duitsland geldende rechtsbesluiten komen uit
Brussel. Dat aandeel zal na het verdrag van Lissabon wellicht nog
toenemen.
De
EU kende de jongste jaren ontegensprekelijk successen (bvb. de euro, de
uitbouw van de interne markt). Op andere gebieden kon ze dan weer niet
op tegen de nationale egoïsmen (bvb. bij de ontwikkeling van een
gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek, de
liberalisering van de spoorwegen, de hervorming van de farmasector, de
gemeenschappelijke markt voor dienstverlening inzake gezondheid, het
vrije verkeer van arbeiders uit de nieuwe lidstaten). Maar de EU werd
ook actief op gebieden waar ze niets te zoeken heeft, ze zondigde tegen
de geldende bevoegdheidsverdeling, ze negeerde het
subsidiariteitsprincipe. Voorbeelden zijn de invoering van een recht op
sociale zekerheid voor zelfstandige vrouwen, de pogingen om de
bedrijfspensioenen Europees te reguleren en - waarlijk grotesk - de
overweging om een EU-regulering op te leggen inzake regionaal
personenverkeer en snelheidsbeperkingen in steden.
De EU moet een nieuw evenwicht vinden: in sommige gebieden moet ze sterker worden, van andere gebieden moet ze wegblijven.
Met
27 commissarissen die zichzelf willen bewijzen en die vaak
tegenstrijdige politieke belangen hebben, is dit een moeilijke
opdracht. Bovendien proberen nationale politici en belangengroepen
onophoudelijk via de Commissie dingen te bereiken die ze er in hun land
op nationaal niveau niet door krijgen. Aangezien permanent compromissen
nagestreefd worden (tussen Commissie, Europees Parlement en Raad
enerzijds, tussen de lidstaten onderling anderzijds) ontstaat veel meer
regulering dan nodig, en vaak ook slechte regulering.
De
grootste uitdaging voor de EU is existentieel: ze moet de instemming
terugwinnen die ze bij veel burgers, maar ook in grote delen van de
economie, verloor. Zoniet zouden de mensen wel eens het ideaal zelf van
Europese integratie definitief kunnen verwerpen. Dat zou de EU als
geheel fataal kunnen worden.
Dat
wantrouwen ontstaat uit de alomtegenwoordige indruk dat Brussel boven
de hoofden van de mensen beslist en dat het, tegen bestaande tradities
en culturen in, dingen reguleert die minstens even goed locaal of
regionaal geregeld kunnen worden - als ze überhaupt gereguleerd moeten
worden.
Precies
om deze ontwikkeling te voorkomen werd destijds het
subsidiariteitsbeginsel in de Europese Verdragen opgenomen: de EU mag
pas actief worden als het probleem in kwestie op nationaal niveau niet
efficiënt aangepakt kan worden. Het is logisch dat dit alleen voor
grensoverschrijdende problemen het geval is, en precies dat was tot nu
toe het juridische criterium voor de toepassing van het
subsidiariteitsbeginsel.
Het
subsidiariteitsprincipe wordt echter niet correct toegepast. In Brussel
verstaat men subsidiariteit als volgt: wanneer Brussel geld geeft, kan
het probleem beter op EU-niveau aangepakt worden. En daarom geeft
Brussel maar al te graag geld. Het is dan ook verontrustend dat het
criterium "gaat het om een grensoverschrijdend probleem?" in het
Lissabon-Verdrag geschrapt werd.
Van
het Europees Hof van Justitie en het Europees Parlement moeten we geen
oplossing verwachten, want beide hebben zelf belang bij een uitbreiding
van Europese bevoegdheden. Daarom is vooral in de lidstaten meer
waakzaamheid nodig. Uit de lidstaten moet de duidelijke boodschap komen
dat alleen grensoverschrijdende problemen tot de EU-bevoegdheden kunnen
behoren.
De parlementen moeten het subsidiariteitsprincipe bewaken. Nu al kunnen ze inbreuken op dat principe melden, maar hoe
dat moet gebeuren is nog een open vraag: de parlementen krijgen heel
weinig tijd en moeten met andere parlementen overleggen. Een efficiënte
overlegstructuur tussen de parlementen moet dan ook worden uitgewerkt.
Ook
moet het Duitse parlement samen met andere parlementen zo snel mogelijk
een precedent scheppen, door een niet grensoverschrijdende
EU-regulering aan te klagen. Alleen zo kan men op politieke wijze
compenseren wat nu geen geschreven EU-recht meer is.
Ook
de regeringen moeten de subsidiariteit bewaken. Ze mogen niet meer
toestaan dat ministeries de Europese weg kiezen wanneer ze op nationaal
niveau hun zin niet krijgen. Bovendien moet de Duitse regering
categorisch neen leren zeggen wanneer de Raad zijn bevoegdheden te
buiten gaat of tegen het subsidiariteitsprincipe zondigt.
Wat
dit laatste betreft loopt het grondig fout. Een recent voorbeeld is een
EU-richtlijn die zelfstandige vrouwen het recht op sociale zekerheid
biedt. De Duitse regering protesteerde op de ministerraad dat de EU
voor die materie niet bevoegd is, maar onthield zich vervolgens bij de
stemming, om de richtlijn niet te kelderen. Dat was niet de eerste
keer: in Brussel heet dit stemgedrag "German vote".
Een
ander voorbeeld. Een richtlijn is in de maak om om de Europese
antidiscriminatiewetgeving sterk uit te breiden. Zo wil men bedrijven
en restaurants tot verbouwingen verplichten om de toegang voor
gehandicapten mogelijk te maken. Ook huurders zouden dit van de
eigenaar kunnen eisen. Dit is geen grensoverschrijdende materie.
Gebouwen kunnen immers geen grenzen oversteken. Maar een veto van de
regering is ook in deze niet te verwachten.
Het
subsidiariteitsprincipe moet in alle politieke materies gelden. Drie
belangrijke materies die niet grensoverschrijdend zijn en dus strikt
tot de nationale competentie beperkt moeten blijven, zijn: sociale
politiek, antidiscriminatiewetgeving (behalve inzake nationaliteit),
onderwijs.
Maar
de realiteit is anders. Zo plant Brussel - naast de sociale en
discriminatiewetgeving - ook nieuwe ingrepen inzake onderwijs. Na de
hogeschoolhervorming (Bologna) wil het nu ook in de algemene
schoolpolitiek meepraten.
Het
omgekeerde is waar voor de stabiliteitspolitiek. Hier moet de EU een
grotere rol spelen. De euro maakt een EU-controle van de nationale
begrotingstekorten noodzakelijk. Vandaag kan een lidstaat schulden
maken op kosten van alle andere, omdat de ECB alleen met een
Europawijde monetaire politiek kan tegensturen. De EU moet de lidstaten
tot een consolidering van hun schulden dwingen. De Commissie heeft
intussen tegen 20 landen een procedure wegens een te hoog deficit
opgestart. Dat is goed, maar het zal moeten blijken of ze genoeg
politieke slagkracht heeft om consequent te handelen.
Ook
inzake de (grensoverschrijdende) klimaatproblematiek moet de EU kunnen
optreden. Dat moet dan wel consequent en consistent gebeuren. We
juichen de princiepsbeslissing om een Europese emissiehandel (EU-ETS)
op te zetten toe, maar die moet dan ook voor het benzine-, diesel- en
stookolieverbruik gelden (bvb. door de producenten en importeurs te
verplichten emissierechten te kopen).
Anderzijds
moet de EU bestaande regelingen afschaffen als die de EU-ETS hinderen.
Het gloeilampenverbod bvb. maakt het de markt onmogelijk om de
klimaatdoelstellingen kostenefficiënt te bereiken. Dit verbod zal geen
gram CO2 uitsparen, omdat de door de gebruiker gespaarde emissies via
de handel in emissierechten bij andere CO2-uitstoters terechtkomen en
zo elders meer emissie veroorzaken.
De
Commissie zou ook moeten aandringen op een stopzetting van subsidies
voor hernieuwbare energieën. Die veroorzaken onnodige kosten omdat ze
tot de bouw van energiecentrales leiden die er zonder die subsidies
nooit zouden komen. Hernieuwbare energieën zijn al competitief omdat
men er weinig of geen emissierechten voor moet verwerven.
Een
tot de EU beperkte emissiehandel kan ertoe leiden dat ondernemingen hun
productie buiten de EU leggen. Dat vermindert de totaaluitstoot niet en
schaadt tegelijk de EU-economie. De EU moet zich dus voor een
wereldwijde emissiehandel inzetten of de ontstane kost op een andere
manier compenseren.
In
de consumentenpolitiek moet de EU actiever worden. Een totale
harmonisering van de bescherming van de consument is wenselijk. De
huidige situatie, met 27 verschillende regelingen, is nadelig voor
ondernemers en consumenten.
Enerzijds
is met een minimale harmonisering niet veel gewonnen. Anderzijds is ook
een te sterk doorgedreven bescherming van de consument niet wenselijk,
omdat uiteindelijk de consument zelf de kosten daarvan draagt en armere
mensen zich dan minder kunnen veroorloven.
De
EU moet terugkeren naar het concept van de "mondige gebruiker", in
plaats van het nu door de Commissie gehuldigde principe van de
"gedesorienteerde consument", die door de EU geholpen moet worden in
zijn zoektocht naar geluk.
De
Commissie moet haar ingrepen in de prijszetting stopzetten. Het beleid
om "sociaal aanvaardbare" prijzen af te dwingen of om de mensen
tevreden te stemmen door maximumprijzen op te leggen doet te veel aan
planeconomie denken en is dringend af te raden. Politieke ingrepen in
de prijszetting verstoren de mogelijkheid, op schaarste in te spelen.
Dat is ook voor de consument nadelig.
Protectionistische
maatregelen van staten om eigen ondernemingen te beschermen ondergraven
de interne markt. Daarom moet de Commissie staatssteun strenger
controleren. Obstakels voor de interne markt moeten uit de weg geruimd
worden. Een mogelijkheid is het creëren van een Europese titel voor de
bescherming van intellectueel eigendom.
De
lidstaten en dus ook de Duitse politici moeten de Commissie steunen
waar ze de hier geschetste visie volgt, maar anderzijds ook
daadkrachtig - en publiek - optreden tegen overregulering en inbreuken
op het subsidiariteitsbeginsel.
Dit
alles is niet alleen in het belang van Duitsland, maar ook van de
toekomstige EU-ontwikkeling. De Europese integratie kan maar een succes
zijn als de burgers ze mee dragen. Dat is vandaag wellicht minder dan
ooit het geval.
|
|
|