Argumenten tegen democratie

AfdrukkenOp democraten rust de plicht, om voortdurend de argumenten tegen de democratie eerlijk te analyseren. En zo’n argumenten worden voortdurend aangevoerd. Zo ook door de warrige iconoclast Vladimir Volkoff, in zijn recent schotschrift : ‘Pourquoi je suis moyennement démocrate’ (‘Waarom ik maar een lauwe democraat ben’ - Editions du Rocher, 2002).

Argumenten tegen de democratie blijken bij nader toezien vaak gericht tegen de zogenaamde ‘representatieve democratie’ ofte particratie (Volkoff schrijft trouwens:“Je le dis ouvertement: je suis ‘moyennement’ démocrate’ (...). En Suisse, j’aurais pu l’être passionnément; aux Etats-Unis, un peu; en France, pas du tout ” - ‘Ik zeg openlijk dat ik maar half en half democraat ben. In Zwitserland zou ik een overtuigd democraat zijn, in de USA een beetje, in Frankrijk helemaal niet’ - p.75). Volkoff hekelt bijvoorbeeld “...les diverses entourloupes qui consistent pour le parlement à ne pas consulter la nation sur des problèmes majeurs (comme les abandons de souveraineté ou de valeurs morales traditionelles, les agressions armées sans déclaration de guerre, les châtiments à appliquer aux violeurs et aux assassins d’enfants) (...) la démocratie en acte n’est souvent qu’un simulacre de démocratie ” (‘de kunstgrepen die het parlement hanteert om de natie niet te moeten consulteren over belangrijke aangelegenheden (zoals soevereiniteitsafstand, uitschakeling van traditionele morele waarden, gewapende aanvallen zonder oorlogsverklaring, strafmaat voor verkrachters en kindermoordenaars). Democratie in actie is vaak pseudo-democratie’ p.91-92). Deze aanklacht van Volkoff is volkomen terecht, maar betreft de particratie. Volkoff zegt het zelf: het gaat hier om pseudo-democratie.
Bezwaren die specifiek de democratie betreffen, kunnen we in grote lijnen onderbrengen in drie categorieën.


Een eerste categorie omvat de argumenten die de democratie beschuldigen van onvolmaaktheid. Omdat democratie geen belichaming is van het volstrekt goede, wordt ze afgewezen.

Bijvoorbeeld: waarom aanvaarden wij het meerderheidsbeginsel, dat zogezegd de ‘volkswil’ uitdrukt (terwijl die meerderheid in sommige gevallen slechts 50,1% van de kiezers betreft)? Volgens Volkoff berust dit beginsel op een onhoudbaar postulaat:

...la démocratie repose sur l’un ou l’autre des deux postulats suivants:
- le peuple veut spontanément le Bien, et, accessoirement, son propre bien;
- ce que le peuple veut devient aussitôt le Bien
(...)
Dans la première hypothèse, le peuple découvre le bien; dans la seconde, il le fonde (...) Le premier postulat me paraît naïf et le second odieux
(‘... democratie berust op één van de twee volgende grondslagen:
- het volk wil spontaan het goede, en meer bepaald wat goed is voor het volk zelf;
- wat het volk wil bepaalt wat goed is (...)
In de eerste veronderstelling onthult het volk wat goed is; in het tweede geval bepaalt het volk wat goed is (...) De eerste veronderstelling lijkt mij naïef, en de tweede is weerzinwekkend’ - p.41-43).

Ik geloof dat Volkoff zich vergist. Geen van beide postulaten hoeft de grondslag te vormen voor het democratisch streven. De democraat hoeft niet te geloven dat democratische besluitvorming automatisch het goede te voorschijn brengt of creëert. Het volstaat dat democratie op dit vlak het minst slechte systeem is. De essentie van de democratie is niet de ogenblikkelijke besluitvorming, maar wel de maatschappelijke beeldvorming die voorafgaat aan de stemming, en ook de ervaring die achteraf optreedt met de gegeven maatregel, en die aanleiding kan geven tot verdere beeldvorming, gevolgd door een wijziging van het aanvankelijke besluit. Doorslaggevend voor de democraat is niet de optimale kwaliteit van het onmiddellijk besluit, maar wel de optimaliteit van de correctiemogelijkheden achteraf. Democratie en vrij spreekrecht zijn niet zozeer nodig om in rechtstreekse zin het goede en het ware te onthullen, maar wel om, in het klare bewustzijn van de eigen beperktheid, het boosaardige en het onware zo goed mogelijk te kunnen tegenspreken.

Besef van de menselijke beperktheid is een essentieel kenmerk van een goed werkende democratie. Men probeert de minst slechte oplossing te selecteren, in het volle besef dat men zich ernstig kan vergissen. Niet democratiën, maar autoritaire systemen pretenderen om het absoluut goede te vertegenwoordigen. Daarvan getuigt zowel de personenverheerlijking die dictaturen typeert, als de zelfgenoegzaamheid van de politieke klasse, die zo kenmerkend is voor de particratie.

Het échte probleem dat Volkoff aankaart met zijn verwijzing naar ‘le Bien’, is het probleem van de hubris, de hoogmoed die volgens de oude Grieken altijd door de goden met verblinding wordt bestraft. Een daadwerkelijke democratie, met een daadwerkelijk en volledig recht op vrije meningsuiting, vormt juist de beste bescherming tegen hubris. Want hubris leidt altijd tot uitsluiting, en tot onderdrukking en vervolging van diegenen, die de hoogmoed ontmaskeren. Laat daarom, alleen reeds als beveiliging tegen de verblinding, iedereen meespreken en meebeslissen.

Een tweede categorie argumenten is gebaseerd op de premisse, dat er een elite bestaat die in absolute zin beter kan heersen dan de meerderheid van het volk. Volkoff stelt: “...l’apparition d’une aristocratie - que ce soit celle du talent, du mérite, de l’élection, de la volonté de puissance, de la richesse, de l’hérédité réelle ou supposée - est un phénomène naturel; or, l’aristocratie est, par définition, une minorité. Pour empêcher ce phénomène de fonctionner et pour imposer le gouvernement du grand nombre, il faut une législation fondée sur un idéal abstrait, souvent démenti par la réalité des faits ” (‘een aristocratie duikt van nature op - hetzij op het vlak van talent, van verdienste, door uitverkiezing, door machtswil, door rijkdom, door reële of vermeende afstamming... En een aristocratie is altijd een minderheid. Om dit fenomeen te onderdrukken en een meerderheid aan het bewind te houden, moet men een wetgeving invoeren die uitgaat van een abstract ideaal dat ingaat tegen de feiten en tegen de werkelijkheid’ p.66).

Het bezwaar luidt hier niet, dat de democratie op zich onvolmaakt is, maar wel dat aristocratie beter is dan democratie. Er bestaan van nature aristocratieën waarbinnen inzicht en bekwaamheid zijn geconcentreerd, en het zijn bijgevolg deze aristocratieën die het bewind moeten voeren.
Deze gedachtengang vereist het bestaan van een objectieve en a priori gegeven maatstaf, waarmee we de kwaliteit van maatschappelijke besluiten afmeten en vergelijken. Bovendien wordt verondersteld dat de meeste mensen niet in staat zijn om deze maatstaf te hanteren; slechts een elite (waartoe logischerwijs ook de aandrager van het argument moet behoren) zou hiertoe in staat zijn. De meerderheid wordt dus uitgenodigd (of moet worden gedwongen) om ootmoedig de soevereiniteit over te dragen aan de elite of aristocratie, omdat deze laatste bekwamer is om goed van kwaad te onderscheiden. Dit is het argument dat particraten aandragen om burgers beslissingsrecht te ontzeggen over bijvoorbeeld de fiscaliteit (Steve Stevaert, Humo 07 10 03, p.11), de eventuele herinvoering van de doodstraf (Di Rupo, Le Soir 07 02 02) of de Europese grondwet (Jean-Luc Dehaene, FET 05 04 03, p.6; Marc Eyskens, FET 30 09 03, p.2) enz.

De aristocraten hebben nooit het bestaan kunnen aantonen van zo’n geheimzinnige maatstaf, waarlangs men het maatschappelijk betere van het maatschappelijk slechtere objectief kan onderscheiden. Dat is normaal, want zo’n a priori maatstaf, die enkel aan een elite toelaat om een goede wet van een slechte te onderscheiden, bestaat niet en kan niet bestaan.

Een wet is per definitie een collectieve schepping. Ze kan haar autoriteit enkel ontlenen aan het feit, dat diegenen die op gelijke wijze onderworpen zijn aan de wet ook recht hadden op een gelijk aandeel bij de creatie van die wet. Wie niet kon deelnemen aan de totstandkoming van een wet, heeft geen reden om zich te onderwerpen aan die wet. Zelfs wanneer een elite zich beroept op een hoger inzicht, geldt voor de onderworpene nog steeds dat enkel zijn persoonlijk inzicht maatgevend kan zijn. Hieruit volgt een belangrijke conclusie: wetten kunnen alleen gemaakt worden betreffende aangelegenheden waarin iedere mondige mens inzicht kan verwerven . Dat betekent niet dat bij de afweging van bepaalde wetsvoorstellen geen expertise is vereist. Die expertise vormt echter ten opzichte van de besluitvorming een extern gegeven. Een wetsvoorstel betreffende de kleur van verkeerslichten bijvoorbeeld, kan steunen op een expertiseverslag van experimentele psychologen betreffende de waarneembaarheid en onderscheidbaarheid van de diverse kleuren. Uiteraard hoeft niet iedereen die uiteindelijk over zo’n wetsvoorstel stemt, de kennis van de experten te delen. Dat geldt zowel voor parlementsleden als voor burgers in het algemeen. Maar uiteindelijk vormt ook zo’n expertiseverslag slechts een randvoorwaarde voor de eigenlijke rechtsschepping. Binnen de door de feitelijke werkelijkheid gegeven ruimte brengen de wetgevers hun moreel inzicht en hun morele afwegingen samen, en het beeld dat daaruit ontstaat condenseert in de democratische besluitvorming tot wet. Iedere mondige burger beschikt per definitie over het vermogen tot morele afweging, dat vereist is voor het eigenlijke wetgevende werk.

En inderdaad: de wet is per definitie een schepping. Ze is niet van tevoren objectief leesbaar uit het Boek van het Goede, want dit boek bestaat niet. Het goede wordt door de mens geschapen, en de goede wet wordt door de mensen samen geschapen. Dat betekent niet dat het goede subjectief is; het betekent integendeel dat de mens ertoe geroepen is om de verschijningsvorm te zijn van het goede. Indien het goede van tevoren reeds in één of ander Boek of in één of andere Maatstaf zou vastgelegd zijn, dan juist zou het subjectief zijn; want dan zouden we als individu tegenover een extern moreel datum staan, en zou onze keuze pro of contra dit datum niet meer moreel of immoreel, maar nog slechts amoreel kunnen zijn, omdat het zogezegd morele reeds als extern datum zou vastliggen. Het menselijk individu is per definitie het wezen, waarin het goede als potentie sluimert en als schepping kan oplichten. Daarin schuilt onze enige waardigheid en onze allerindividueelste roeping. Wie deze stelling verwerpt, wijst eigenlijk niet alleen het relevant karakter af van ieder moreel streven, maar ook de relevantie van ieder politiek streven. Politiek streven heeft immers niet de minste zin, indien het onderscheid tussen goed en kwaad gesubjectiveerd wordt, en de hele onwaarachtigheid van het politiek bedrijf is voor het grootste deel het gevolg van het feit, dat de agnostici, materialisten en logebroeders die de dienst uitmaken op moreel vlak inderdaad subjectivisten zijn.


Een derde categorie argumenten betoogt, dat in bepaalde gevallen of op bepaalde domeinen, democratische besluitvorming leidt tot slechte of absurde resultaten. Dat is bijvoorbeeld het geval op terreinen waar specifieke bekwaamheden doorslaggevend zijn. Volkoff schrijft: “...je ne connais pas de grande affaire industrielle ou commerciale qui se gouverne démocratiquement. Je n’ai jamais entendu un chef d’orchestre consulter la grosse caisse ou même le premier violon sur l’interprétation d’une symphonie (...) Et je ne vois pas pourquoi le destin même de nos communautés, c’est-à-dire le nôtre, devrait se régler par des méthodes qui ont fait ailleurs la preuve de leur ineptie ” (‘Ik ken geen enkele grote industriële of commerciële onderneming die democratisch wordt bestuurd. Ik heb nog nooit meegemaakt dat de dirigent van een orkest overlegt met de grote trom of zelfs de eerste viool over de interpretatie van een symfonie (...) Waarom moet het lot van onze gemeenschappen dan bepaald worden via methodes die elders hun ongeschiktheid bewezen?’ p.95-96). De grote kunstwerken, stelt Volkoff terecht, komen niet op democratische wijze tot stand, en hij schrijft: “...l’idée de démocratie, cette morne plaine où 1 = 1 = 1 = 1 à l’infini ne me séduit pas. Je préfère des structures plus hiérarchisées, plus colorées, plus architecturales ” (‘..het denkbeeld van een democratische uniforme ruimte, bevolkt door identieke sujetten, bekoort me allerminst. Ik verkies gelaagde structuren, met veel kleuren en details’ p.67).

We stelden het reeds: wetten kunnen alleen gemaakt worden betreffende aangelegenheden waarin iedere mondige mens inzicht kan verwerven . Dit type bezwaar is bijgevolg geldig. Er zijn zeker en vast levensdomeinen, waarop democratie niet aangewezen en zelfs onmogelijk is. De conclusie luidt echter niet, dat de democratie moet worden verworpen. De conclusie luidt, dat democratie om te kunnen functioneren aan zelfbeperking moet doen. Welomschreven levensdomeinen dienen consequent te worden onttrokken aan de democratische besluitvorming.

Democratie kan per definitie niet van buitenaf worden beperkt. Een van buitenaf beperkte democratie is er geen, omdat democratie op volkssoevereiniteit berust. Iedere beperking kan dus enkel zelfbeperking zijn, die vrij moet worden aangegaan. De noodzaak van die beperking dient dus te leven in de geesten van de burgers, die ze vrij accepteren. Het is ook volkomen logisch en rationeel dat de burgers deze zelfbeperking accepteren en in stand houden, omdat zij anders zowel de eigen individuele vrijheid als de gemeenschappelijke democratie zouden vernietigen. Niettemin is het zeer goed mogelijk dat de meeste burgers de individuele vrijheid laag in schatten en een keuze maken voor een onvrije samenleving. Democratie kan niet wettelijk worden opgelegd; ze moet door een meerderheid van burgers worden gewild. Democratie of niet? Dat is in laatste instantie een kwestie van cultuur.


Vrijheid versus gelijkheid?

Er bestaat immers een evidente onverenigbaarheid tussen veralgemeende democratie, die berust op veralgemeende gelijkheid, en algemene individuele vrijheid. Democratie wordt voortdurend gevoed door nieuwe gedachten en onverwachte denkbeelden, door ideële scheppingen die de burgers vrij ontwikkelen en ter discussie voorleggen. Indien een samenleving probeert om op zogezegd democratische wijze haar eigen bron onder controle te brengen, door bijvoorbeeld de pers aan banden te leggen of door het onderwijs aan politieke doelstellingen en voorkeuren te onderwerpen, dan legt zij slechts zichzelf droog. Niets vernieuwends kan dan nog tot stand komen, omdat de ideeënproductie in dienst van het reeds bestaande is gesteld. Een democratie die probeert om de gedachten, de vrije meningsuiting en de ideeënproductie aan banden te leggen, is er geen. De ware democratie kan dus enkel zelfbeperkend zijn.
Volkoff merkt terecht op, dat de vrijheid in naam van de ‘democratie’ steeds meer wordt teruggedrongen: “...les démocrates semblent favoriser systématiquement l’égalité, avec toutes les limitations que cela suppose pour la liberté individuelle. Le nombre de lois, de décrets, d’arrêtes, de règlements administratifs qui nous ligotent et asphyxient l’Etat et le politique va croissant. Et le fait que tout citoyen européen vive maintenant sous une double subordination, la nationale et l’européenne, multiplie encore ces empiétements vexatoires sur la liberté de l’homme et du citoyen. En revanche, l’égalité lui est imposée de manière de plus en despotique ” (‘...de democraten lijken systematisch de gelijkheid te promoten ten koste van de indivduele vrijheid. De wetten, decreten, besluiten en administratieve verordeningen die ons ketenen en staat en politiek verstikken, worden altijd maar talrijker. Bovendien is iedere Europese burger thans beladen met een dubbel juk, nationaal én Europees. Gevolg: nog meer ergerlijke grensoverschrijdingen ten nadele van onze vrijheid als mens en als burger. Tegelijk wordt de gelijkheid op steeds despotischer wijze opgelegd’ - p.57).

We gaan hier niet in op alle domeinen, waar zo’n onterechte grensoverschrijdingen plaatsvinden. Eén zeer belangrijk domein (zie ook elders in deze Witte Werf) is alleszins het onderwijs, waar de valse democratie met straffe hand de gelijkvormigheid poogt in te voeren. Volkoff noteert terecht: “Le but de la démocratie moderne semble être davantage de rabaisser le bourgeois au niveau du prolétaire, le nivellement se faisant systématiquement par le bas, par exemple dans tout ce qui regarde l’Education nationale: c’est en baissant le niveau du baccalauréat qu’on a réussi à le donner à une majorité de candidats... ” (‘Het democratisch doel van het modern onderwijs schijnt te zijn, om de burgerij neer te halen tot op het proletarisch niveau. De gelijkschakeling gebeurt altijd neerwaarts. Kijk naar onze nationale opvoeding: de meeste kandidaten halen tegenwoordig hun bac, omdat men het niveau van de examens systematisch heeft verlaagd’ - p.58). In naam van het valse ideaal van de ‘gelijke kansen’ (wat iets totaal anders is dan ‘gelijke rechten’) krijgen scholen steeds nieuwe beperkingen en richtlijnen opgelegd. Het hoofddoel lijkt de invoering van de multiculturaliteit te zijn: gelijkschakeling van voortreffelijke en nefaste culturen. Thuislerende kinderen bijvoorbeeld, zijn niet onderworpen aan eindtermen maar men moet ze volgens het decreet van 14 02 03 wel “eerbied voor de culturele waarden van het kind zelf en anderen” bijbrengen; eerbied dus voor jihad, fatwas, steniging en handenafhakkerij.

Ook de vrijheid van meningsuiting staat onder zware druk. Het huidige politiek-correcte discours heeft het in dit verband voortdurend over fundamentele rechten, die elkaar zouden beperken. Politici zeggen likkebaardend, dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut kan zijn, omdat dan andermans rechten (waaronder het vermeend recht op ongekwetste gevoelens) in het gedrang komen; en prompt gaan zij over tot de invoering van steeds nieuwe censuur- en controlemaatregelen. De waarheid is, dat de begrippen ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ elkaar helemaal niet tegenspreken, net zomin als bijvoorbeeld de concepten ‘helderheid’ en ‘oppervlakte’ contradictorisch zijn. Een oppervlakte kan groot of klein zijn, en volstrekt onafhankelijk daarvan helder of donker wezen: primaire en secundaire kwaliteiten behoren nu eenmaal tot verschillende ontologische domeinen en zijn niet wederzijds exclusief. Op analoge wijze horen vrijheid en gelijkheid tot verschillende maatschappelijke domeinen.

Er bestaat echter wél een tegenstelling tussen vrijheid en gelijkschakeling. Wanneer de politieke klasse over gelijkheid of gelijke rechten rept, heeft zij doorgaans niet gelijkheid, maar gelijkschakeling en nivellering in gedachten. De geschiedenis heeft, in de vorige eeuw, reeds genoegzaam getoond wat de gevolgen kunnen zijn van zo’n vervalst gelijkheidsideaal.