Frans van den Enden: de vergeten vader van het democratisch ideaal

Afdrukken
Het democratisch ideaal is gebaseerd op een aantal filosofische inzichten, die pas in de laatste eeuwen duidelijk werden geformuleerd en ook heden ten dage absoluut geen gemeengoed zijn. Twee ideeën staan daarbij centraal: het concept van vrije meningsuiting, en het concept van volkssoevereiniteit. Onlangs schreef Jonathan Israel een boeiend boek, dat ons helpt begrijpen waar, wanneer en hoe deze ideeën voor de eerste maal duidelijk aan de oppervlakte kwamen.
  1. Jonathan I. Israel (2001) ‘Radical Enlightenment. Philosophy and the making of modernity 16501750’ Oxford: Oxford University Press
  2. B. de Spinoza (1670, 1997) ‘Theologischpolitiek traktaat’ Amsterdam: Wereldbibliotheek
  3. Franciscus van den Enden (1665, 1992) ‘Vrije Politijke Stellingen’ (met inleiding door W.Klever) Amsterdam: Wereldbibliotheek
De golf van de reformatie betekende een eerste stap voor de verovering van het recht op vrij denken. Het geestelijk monopolie van de katholieke kerk werd definitief doorbroken. Rond 1590 was de confessionele landkaart van Europa al grotendeels getekend, al werd er in de eerste helft van de 17de eeuw nog stevig gevochten. In 1648 eindigde de tachtigjarige oorlog: de Noordelijke Nederlanden waren definitief ontsnapt aan de controle van het katholieke Spanje.

Maar in diezelfde tijd kwam alweer een nieuwe golf opzetten in de vrijdenkerij. Israel legt de grens tussen beide bewegingen ergens rond 1650. Tot die tijd dachten de verschillende, elkaar bestrijdende kampen in Europa nog allemaal confessioneel. Na 1650 verscheen de beweging van de ‘radicale Verlichting’ op het toneel. Die stelde de gemeenschappelijke grondslag van alle confessies in vraag. Israel schetst de geestesstrijd in Europa als een gevecht tussen drie kampen. Enerzijds had men de gevestigde macht, gebaseerd op de coalitie tussen adel en kerkelijke macht. Daar tegenover stond de stroom van de ‘gematigde Verlichting’, waarvan in Engeland bijvoorbeeld Newton en Locke, of Montesquieu in Frankrijk hoofdvertegenwoordigers waren (Rousseau moet als een hybried geval worden beschouwd Israel p.269). De strijd voor de geestelijke suprematie tussen die twee bewegingen was rond 174050 nog onbeslist. Maar er was nog een derde, vooral uit de Nederlanden afkomstige stroming die van de ‘radicale Verlichting’ die door de beide anderen werd verketterd en grotendeels ondergronds opereerde. De meest bekende protagonist van deze stroming was Spinoza. Andere vertegenwoordigers van deze stroming, vooral uit de Nederlanden, zijn nu grotendeels vergeten, hoewel hun ideeën vaak veel meer innoverend waren dan die van meer gekende figuren uit de stroom der ‘gematigde Verlichting’. De radicale Verlichting moest oproeien tegen een stroom van gedachtencontrole en een censuurnetwerk, dat zich over Europa verbreidde. Het is vanuit de Nederlanden dat de nieuwe, verboden gedachten zich bij voorkeur verspreidden. In Frankrijk werd de uitdrukking ‘livres de Hollande’ de staande formulering om verboden litteratuur aan te duiden (p.101).
Vrijheid van denken en spreken: een radicaal idee

Israel merkt op dat het ideaal van de vrije meningsuiting geenszins tot het gedachtengoed van de ‘gematigde Verlichting’ behoorde (Israel, p.116117). De opvattingen van Locke zijn voor die ‘gematigde Verlichting’ representatief : hij bepleitte wel tolerantie tegenover allerlei uiteenlopende christelijke opvattingen, maar niet tegenover atheïsten. De reden was, dat een mens die het geloof in God verliest, ook alle grond verliest waarop moraliteit is gebaseerd: “The taking away of God, but even in thought, dissolves all” (‘De verwijdering van God, zelfs alleen maar in het denken, zet alles op losse schroeven’; Israel, p.266). Locke had ook bezwaren tegen vrije meningsuiting voor katholieken, omdat die de autoriteit erkenden van een buitenlandse macht, namelijk de paus. Spinoza was de eerste bekende filosoof die hiertegen inging, al werd hij wel voorafgegaan door een aantal minder bekende figuren, zoals Johan de la Court en vooral Franciscus van den Enden (Israel, p.259).

Spinoza legt zijn visie omtrent de vrijheid van denken en spreken uit in hoofdstuk 20 van zijn ‘Theologischpolitiek traktaat’. Dit is meteen ook het laatste hoofdstuk van dit werk (verder: TPT). De titel van dat hoofdstuk luidt: “Aangetoond wordt dat in een vrij staatsbestel het een ieder is toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt”.

De uitgangspunten van Spinoza zijn tweeerlei.

Enerzijds vormt het vermogen tot vrije meningsvorming de kern van het mensenwezen, in die zin dat dit vermogen onoverdraagbaar is: “Niemand kan immers zijn natuurlijk recht, dat wil zeggen zijn vermogen om vrij te redeneren en te oordelen over welk onderwerp dan ook, op een ander overdragen, noch kan hij daartoe gedwongen worden” (TPT, 20,1; p.424). Spinoza is geenszins blind voor de realiteit van beïnvloeding en propaganda. Maar, besluit hij , “..het is toch nooit zover gekomen dat de mensen niet te allen tijde de ervaring hadden dat eenieder overtuigd is van zijn eigen gelijk, dat er evenveel verschil van hoofden als van smaken is” (TPT 20,2; p.425).

Anderzijds is de staat volgens Spinoza gebaseerd op een bindend contract tussen vrije burgers. Spinoza stelt dat “..de mensen zich, om veilig en op de beste manier te leven, onvermijdelijk hebben moeten verenigen tot één geheel en dus hebben moeten bewerkstelligen dat ze het recht dat krachtens de natuur iedereen op alles had, collectief zouden hebben, en dat dit recht niet langer door de kracht en de begeerte van ieder afzondelrijk zou worden gedetermineerd, maar door de kracht en de wil van allen tezamen” (TPT, 16,5; p.350). Spinoza besluit dan: “Uit de grondslagen van het staatkundige leven (...) volgt met de grootste duidelijkheid dat het uiteindelijke doel van de politiek niet is om te heersen of de mensen met vrees in bedwang te houden en aan een ander ondergeschikt te maken, maar integendeel om de enkeling van vrees te bevrijden, zodat hij, voor zover dat mogelijk is, veilig leeft, dat wil zeggen, dat hij zijn natuurlijke recht om te bestaan en zich te doen gelden zonder schade voor zichzelf en voor een ander optimaal behoudt. Het is niet, zo wil ik zeggen, het doel van de politiek om de mensen van redelijke wezens tot dieren of automaten te maken, maar integendeel om ervoor te zorgen dat hun geest en lichaam veilig kunnen functioneren en dat zijzelf de vrije rede gebruiken en niet met haat, toorn of bedrog strijden, noch zich door bittere gevoelens jegens elkander laten meeslepen. Het doel van de politiek is dus in werkelijkheid de vrijheid” (TPT, 20,6; p.426427; benadrukking door ons). Elders schrijft hij nog: “Hoe minder dus de mensen de vrijheid om te oordelen wordt toegestaan, des te meer wijkt men af van de staat die de meest natuurlijke is en des te gewelddadiger is dientengevolge de regering” (TPT, 20,14; p.434; benadrukking door ons).

Spinoza maakt een onderscheid tussen woord en daad, dat ogenschijnlijk subtiel ligt en tegelijk uiterst belangrijk is.

Woorden kunnen op een bepaald moment daden worden. Dat gebeurt op het moment dat ze rechtscheppend zijn. Het duidelijkst is dit, op het ogenblik dat ik mijn stem uitbreng in een democratisch besluitvormingsproces. Wanneer ik bij een beslissende stemming ‘ja’ of ‘nee’ zeg, dan is dat spreken een scheppende daad: ik creëer recht. Binnen het rechtskader dat ikzelf en anderen op die manier tot stand brengen, kan ik op dezelfde manier ook weer al sprekend rechtsdaden stellen, bijvoorbeeld door een contract te tekenen of ‘ja, ik wil’ te zeggen bij een huwelijk.

De primaire scheppende daad die ik stel, is ‘ja’ zeggen tegen het contract waarmee mensen samen de rechtsstaat vorm geven. Iedere burger wordt geacht dit jawoord te hebben gegeven. Van immigranten kan het, bv bij een inburgeringscontract, expliciet worden gevraagd. Wellicht ware het beter om aan iedere burger, bij zijn meerderjarigheid, zo’n expliciet jawoord te vragen: een soort plechtige toetreding tot het gemenebest.

Spinoza ziet nu een beperking in het vrije spreekrecht hierin, dat men deze rechtscheppende woorden nadien niet mag intrekken. Het sociaal contract dat met de medeburgers door het woord is gesloten, mag nadien niet door het woord worden verbroken. Een duidelijk voorbeeld zijn oproepen tot geweld tegen personen of groepen. Zo’n oproep moet als een rechtscheppende (of beter: onrechtscheppende daad) worden beschouwd, omdat hij neerkomt op een eenzijdige herroeping van het sociaal contract. De details van het sociale contract kunnen gewijzigd worden, maar dit dient via de democratische procedures te gebeuren die in het contract zijn vervat. Die procedures moeten dan natuurlijk wel voorhanden zijn.

..we kunnen daaruit niet minder gemakkelijk bepalen welke meningen in de staat oproer betekenen: die namelijk, die zodra zij geponeerd worden, bewerkstelligen dat de overeenkomst, waarbij de enkeling afstand heeft gedaan van zijn recht om volgens zijn eigen beslissing te handelen, wordt opgeheven. Bijvoorbeeld als iemand meent dat de hoogste overheid niet zijn eigen meester is, of dat niemand zijn beloften gestand hoeft te doen, of dat ieder volgens zijn eigen oordeel behoort te leven en andere soortgelijke dingen, die rechtstreeks in strijd zijn met de genoemde overeenkomst, dan is zo iemand oproerig, niet zozeer wegens zijn oordeel en mening als wel wegens de daad die dergelijke oordelen inhouden; en wel omdat hij alleen al door iets dergelijks te menen de belofte van trouw die hij stilzwijgend of uitdrukkelijk aan de hoogste overheid heeft gegeven, verbreekt. Derhalve zijn andere meningen, die niet een daad, zoals verdragbreuk, wraak, toorn enz. impliceren, niet oproerig, behalve wellicht in een staatsbestel dat enigszins door bederf is aangetast...” (TPT, 20, 9; p.429).

Spinoza heeft het ook over meningen die “...hoewel zij op het oog alleen om kwesties van waarheid en onwaarheid draaien, toch met boos opzet worden geponeerd en verbreid” (TPT, 20, 9; p.430). Hier doelt hij naar eigen zeggen op religieusfundamentalistische standpunten, die hij elders in de TPT (15, 8) behandelt. Zijn betoog lijkt hierop neer te komen, dat men rechtsvernietigende uitspraken ook niet kan maken in naam van vermeende religieuze openbaringen. Spinoza verwerpt in dit verband het beroep op openbaringen: “Als zij dus beweren dat zij behalve deze geest nog een andere hebben, die hen zeker maakt van de waarheid, beroemen ze zich hierop ten onrechte en spreken ze slechts vanuit een vooroordeel van hun affecten, of ze nemen uit grote vrees dat ze door de filosofen zullen worden verslagen en openlijk aan de lachlust prijsgegeven, hun toevlucht tot heilige plaatsen. Maar tevergeefs, want welk altaar kan hij zich verschaffen die de majesteit van de rede schendt?” (TPT 15,8; p.345).

Afgezien van de welomschreven gevallen, waarbij uitspraken als daden kunnen worden opgevat, dient de rechtsstaat dus de vrijheid van meningsuiting niet enkel toe te staan, maar daarin zelfs zijn eigenlijke doel te zien, ondanks de ongemakken die dit meebrengt. “Opdat dus niet vleierij, maar trouw gewaardeerd wordt, en opdat de hoogste overheden de macht op de beste wijze behouden, en niet gedwongen worden te zwichten voor oproerlingen, moet men noodzakelijkerwijze de vrijheid om te oordelen toestaan en de mensen zo regeren dat, hoe verschillende en tegengestelde meningen zij ook openlijk koesteren, zij toch eendrachtig samen leven. En wij kunnen niet betwijfelen dat deze wijze van regeren de beste is en kleinere ongemakken kan verdragen, omdat zij het meeste met de natuur der mensen overeenkomt. In een democratie immers (die de natuurlijke staat het meest nabij komt) komen allen overeen (...) volgens een gemeenschappelijk besluit wél te handelen, maar niet te oordelen en te redeneren..” (TPT 20, 14, p.433).
Franciscus van den Enden (16021674)

De Antwerpenaar Franciscus van den Enden is in de geschiedenis van de mensheid wellicht de eerste democraat geweest in de moderne betekenis van het woord. Van den Enden werd aanvankelijk opgeleid in Leuven, tot jezuïet. Hij heeft het echter nooit tot definitieve opname in de orde gebracht: in 1633 werd hij eruit getrapt, wegens al te erge dwalingen. Hij studeert medicijnen en bereist Europa. In 1642 huwt hij in zijn geboortestad, met Clara Maria Vermeeren. Hij schijnt verschillende diplomatieke missies te hebben vervuld en mogelijk speelde hij ook een rol bij de totstandkoming van de vrede van Munster; wij zijn hierover zeer slecht ingelicht. Enkele jaren later vestigt hij zich te Amsterdam, waar hij aanvankelijk als boek en kunsthandelaar actief is. In 1652 gaat hij failliet, en begint hij met een private Latijnse school, die veel succes kent. Vanaf 1655 is de jonge Spinoza een van zijn leerlingen.

In 16611662 onderhandelt hij met de commissarissen van de Kolonieskamer van Amsterdam om gunstige voorwaarden te verkrijgen voor een groep mensen die naar NieuwNederland willen emigreren. Zijn voor die tijd radicaaldemocratische voorstellen leiden echter tot een zwaar conflict met de stedelijke overheid. Kort daarna verschijnen dan zijn twee politieke werken: ‘Kort Verhael van NieuwNederlants..’ (1662; verder KV) en ‘Vrye Politijke Stellingen en Consideratien van Staat’ (1665; verder VPS). In 1670 verhuist van den Enden met zijn school naar Parijs. Daar was hij betrokken bij een samenzwering tegen Lodewijk XIV. Hij wordt verraden, aangehouden en op 27 november 1674 opgehangen op de Place de la Bastille.

De man die van den Enden zou verraden, Du Cause de Nazelle, heeft ons ook een karakterschets van eerstgenoemde achtergelaten: “Hij had een kleine gestalte maar met een spirituele en zeer aangename fysionomie. Zijn conversatie was charmant. Hij was vol vuur in zijn redevoeringen, vooral in zijn snedige antwoorden, enthousiast zelfs bij steriele onderwerpen, subliem in zijn gedachten. De filosofie, de theologie, de wiskunde met al haar afdelingen fascineerden wanneer hij erover sprak (...) Wat betreft de godsdienst, die had hij geen. Hij geloofde noch in straffen noch in beloningen na dit leven, hoewel hij overigens een soevereine meester van het heelal beleed. Maar in privégesprekken ontdekte men zonder moeite zijn ware opvattingen over deze materie. In het publiek evenwel of in het bijzijn van onbekende personen nam hij zich zeer in acht” (VPS, inleiding, p.7778). Volgens Du Cause de Nazelle had van den Enden Hebreeuws, Syrisch, Grieks, Latijn, Duits, Italiaans, Spaans en Frans gestudeerd, en was hij zeer bedreven in de scheikunde en de bereiding van geneeskrachtige produkten. Van den Enden heeft overigens een medisch werk geschreven, ‘Secreta Medicinae’, dat verloren is gegaan.

De VPS werden anoniem uitgegeven, en pas in 1990 ontdekte Klever dat van den Enden de auteur was. Klever schrijft hierover, in zijn inleiding op van den Ende (p.1315; benadrukking door mij): “Onderzoek leidde al snel tot de conclusie dat het pamflet, dat in 1665 gedrukt was, niet alleen van kapitaal belang is als achtergrond van Spinoza’s politieke traktaten, maar dat het ook zelf vanwege zijn originaliteit en onvergelijkbare rijkdom een plaats op het wetenschappelijke erepodium verdient. Voor het eerst in de geschiedenis der politicologie wordt hier de stelling verdedigd en dan nog wel in een buitengewoon knap betoog dat de democratie de enig mogelijke wijze van een doelmatige staatkundige organisatie is. Tot nu toe gold Spinoza als degene die in een antidemocratische traditie, waarin uitsluitend advocaten van een absolute monarchie of een regenteske aristocratie voorkwamen, moedig opstond voor de rechten en vrijheid van het volk met zijn voor die tijd gedurfde bewering dat een democratische staatsvorm ‘het meest natuurlijk’ is en ‘het meest de vrijheid nabij komt’ (...) Van den Enden is behalve een bewogen en daardoor ook fascinerende auteur tevens een radicale vernieuwer van het denken over de politiek. Wat had de historie van dit vak tot nu toe opgeleverd? Plato walgde van een democratie en was in ‘De Staat’ in het krijt getreden voor het bestuur door een zorgvuldig opgeleide elite. Aristoteles had zich in de ‘Politica’ uitgesproken voor een gemengde regeringsvorm, waarin monarchale, aristocratische en democratische componenten elkaar in evenwicht zouden houden. Cicero was nauwelijks van deze lijn afgeweken in zijn eclectische ‘De Re Publica’. In de Renaissancetijd had Machiavelli in ‘Il Principe’ en de ‘Discorsi’ de toon gezet met nuchtere psychologische analyses van de machtsuitoefening. Hij had zich evenwel onthouden van een duidelijke keus voor een van de gangbare politieke varianten (...) En dan was er de Engelsman Thomas Hobbes, die in zijn ‘De Cive’ (1642) en ‘Levithian’ (1651) trachtte aan te tonen dat het, om uit de chaotische noodsituatie van onderlinge bedreiging en burgeroorlog te geraken, maar het beste is om zich contractueel, doch met huid en haar en in bijna onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, toe te vertrouwen aan een monarch. Tegen deze, hier slechts globaal geschetste achtergrond, was het werk van van den Enden niets minder dan revolutionair”. Spinozaspecialist Wim Klever beschouwt van den Enden, zeker inzake politieke inzichten, als een cruciale inspiratiebron voor diens leerling Spinoza: “Zonder te willen beweren dat Van den Enden de gehele rijkdom van Spinoza’s geschriften anticipeert of dat er geen noemenswaardige verschillen zijn, verdedig ik hier de stelling dat hij wel de hoofdzaken van Spinoza’s filosofie anticipeert en dat hij inzake de politicologie de methode en de beginselen aanlevert die ook in Spinoza’s politieke werken werkzaam zijn. De tweede, daarop aansluitende these luidt, dat niet Spinoza Van den Enden maar omgekeerd Van den Enden Spinoza gebracht heeft tot deze gemeenschappelijke en overeenkomstige positie” (VPS, p.99).

Het gelijkheidsideaal bij van den Enden

In het kleiner werkje, verschenen in 1662 (‘Kort Verhael van NieuwNederlants Gelegentheit...’; verderop KV) en door Klever in zijn inleiding uitvoerig geciteerd, geeft van den Ende zijn visie op het politieke begrip ‘gelijkheid’:

En dit is dan ‘t geen wy met onzen voornamen Grontslagh van Evengelijkheit alleen te verstaen willen geven, namentlijk, dat’er, om een welgestelde Christburgerlijke Societeit, Republijk, of Gemeenbest te vestigen, voor alle zaken een zodanige Gelijkmatigheit (tusschen meer, en min verstandigen, meer, en min gegoeden, mannelijk, en vrouwelijk geslacht, Regeerder, en geregeerden, enz) door redenen en ervaringe moet uitgevonden worden, daer uit men op ‘t zekerste zal mogen bevinden, en besluiten konnen dat ieder lit in zijn graet, daer door niet alleen niet verswakt, of vernadeelt, maer in ‘t tegendeel versterkt, en meer, en meer opgeholpen, en gevordert mach werden: want ieder in zijn byzonderen stant wel geconsidereert, of aengemerkt werdende, zullen alle Evengelijk verbeteringh in haren stant van noden te hebben bevonden werden. Tegens welk voorsz. en ware vryheits gronden wy dan verstaen te strijden alle Societeits Ledens onderlinge heersingh, of geweltsoeffeningh, mitsgaders alle blindt gehoorsamen, en vertrouwen...”
(KV; zie VPS, p.56).

Van den Ende vat dus het gelijkheidsideaal zo op, dat de staat aan iedereen in gelijke mate of in evenredigheid, baat moet brengen, wat samengaat met de uitsluiting van alle mogelijkheid tot onderlinge overheersing of geweld. Het welzijnsverhogend effect van de staat moet optreden, onafhankelijk van iemands talenten, geslacht, bezit, maatschappelijke status enz. Van den Ende verwerpt reeds in KV de ‘smadelyke Aelmoesgevingen’, die gepaard gaan met vernedering en machtsverwerving door de gever.

Van den Ende verzet zich anderzijds uitdrukkelijk tegen de opvatting, dat het streven naar gelijkheid neerkomt op gelijkschakeling:

’t Isser zo veer van daen dat wy in ‘t tegendeel zulx voor zo onmogelijk houden te geschieden, als dat onze vingeren, de zelve blijvende dieze nu zijn, echter even langh souwen konnen zijn, of gemaekt werden: want yder Mensch, door zijner Naturewezenheit, en bijzondere eigenschap een Werelt op sich zelve makende, blijft altijt onderscheide van alle andere Menschen, en na zijner lichaems, en voornamentlijk sielen hoedanigheden, of eigenschappen is hy ook, of min, of meerder uitmuntende in alle zijne actien of bedrijven, hebbende alle zijne byzondere hoedanigheden, ook hare byzondere uitwerkingen, welkenthalven het ook met recht voor de grootste Dwazen in deze werelt te achten zijn, die veel menschen, ik swijgh noch van gehele Lantschappen, onder eenen regul, of strikte manier van leven trachten te brengen, zonder eens te willen, of konnen letten, wat den aert van zulke Lant, of ook Sociëteit, mitsgaders yder Mensch in ‘t particulier tot zijn Natuir is vereyschende. En waerom wy ook wel ter dege in dezen souwen willen voor gerecommandeert houden, datmen in allen Wetten, en Statuten voor ‘t gemeen wel voornamentlijk ‘t gemeene nut moest beoogen, maer echter niet te min aan d’andere kant naeuwe sorgh dragen, dat een yders particuliere, en natuirlijcke evengelijkevryheit hier door zonder aenzien van Personen, op ‘t minste wierde besnoeit, en gekrenkt...” (KV; zie VPS, p.5354).

De wetten moeten zich dus richten op het algemeen nut, maar anderzijds ieder op gelijke manier ruimte geven voor zijn eigenheid.

Vrijheid van spreken

Reeds in de KV spreekt van den Enden zich radicaal uit voor vrijheid van spreken:

Dat niemandt zoo wel Vremde als simpele Inwoonder, en Burger dezer Societeit om eenigerhande sustenue in zake van Godtsdienst, of opinies halven door den wegens de H. Overigheits gestelde Schout, Opziender, of andersins Gevolmachtighde op eenigerhande wijze en zullen mogen werden gemolesteert” (KV, zie VPS, p.59); “Het alderschadelijkste ja pestelentiaelste eenes Staets dan is; dat’er geen behoorlijke vryheit en wort gelaten... om alles met bondige reeden by te mogen brengen, wat yemandt voor ‘t gemeene best verstaet, of meent vorderlijk te mogen, of konnen zijn” (KV, zie VPS, p.60).

Broederlijkheid

Van den Ende pleit voor rechtsgelijkheid, maar tegelijk ook voor een recht dat de vrijheid dient. Rechtsgelijkheid betekent niet gelijkschakeling van de mensen, maar een gelijke vrijheid voor iedereen om naar eigen inzicht en talent te denken, te spreken en zich te ontwikkelen. Hij gebruikt hiervoor de term “..de evengelyke vryheit, den ware grontslagh eens Gemeenebests” (VPS, p.4/p.145). Maar van den Ende raakt ook het derde luik aan van de drievoudige kreet der Franse revolutie: ‘liberté ! égalité ! fraternité !’. Centraal staat daarbij volgens hem het recht op arbeid. “Zo ymant door quade fortuyn, of ook andersins door natuirlijke weersin tot het avontuirlijk Negotiëren, of andersins gepleeghde hantering, onlustigh bevonden wiert, dat men zodanige na eigen sinlijkheit, of ten Oorlogh, of ten nutten Landtbouw, ofte iet anders daer hy beeter toe genegen, en bequaem toe geoordeelt wiert, rustige gelegentheit moest verschaffen, om, wel willende, buiten alle smaet, en verachtingh met alle de zijne rustigh te konnen leven?” (VPS p.5/p.148). Het gemenebest dat de staat is, legt de facto aan al de ingeborenen het lidmaatschap op, wat zich uitdrukt in het feit, dat iedereen geacht wordt zich aan de wetten van de staat te houden. Dit is enkel gerechtvaardigd, indien de staat ook voor iedereen een voordeel oplevert, en het recht op bestaan: “En voor zo veel als wy bemerken, en verstaen konnen, dat ‘er geen byzonder besten, buiten ‘t gemeen, recht aengenaem, noch bestant te zijn kan geacht, noch gezeit werden; zo veel te meer, en nayveriger, zal, door yder rechtschapige ziel, den algemeene welstant betracht werden. De lichamelijke interesten dan zijn, (...) datze buiten alle lichamelijken dwangh, en verzeeringh (= verwonding) , wel gedekt, en gevoedt in hupse gesontheit, de vervulling van alle reedelijke lusten, en genegentheden, met de meeste verzeekeringh onderlingh mogen genieten” (VPS p.6/p.149). Over de constitutie, die van den Enden beschreef in de KV, schrijft Klever: “ Dit is niets minder dan een grootse, onovertroffen staatsconceptie. Waar niet ieder lid baat vindt bij de staatkundige organisatie, is het met het algemeen welzijn en daarmee met de zuiverheid van de staat gedaan. Van den Enden lijkt niet alleen de eerste democraat, maar ook de eerste socialist te zijn, iemand die de staat niet los kan denken van algemene welzijnszorg voor de zwakken. In de constitutie werd een bepaling opgenomen voor royale sociale en medische voorzieningen. Van den Enden verwerpt nadrukkelijk de ‘smadelijke Aelmoesgevingen’ door rijke lieden of door de Kerken” (VPS, p.5657).

Het soevereine volk

Van den Enden spreekt het idee van de volkssoevereiniteit uit in de krachtigst mogelijke bewoording: de stem van het volk moet beschouwd worden als de stem van God: “Achtende alzo hier als by voorraet genoegh aengewezen, en getoont, dat’er voor ‘s volx besten, geen getrouwer beradingh (=overleg), noch zeekerder oordeel, en besluit, noch getoont, noch gegeven kan worden, als ‘s volx ordentlijke beradingh, oordeel, en besluit zelve. En welkenthalven het allerweegen klaer, en waer zal blijken, dat de stemme eenes volx, voor ‘t zelve volk, waerlijk voor Godts stem voluit geacht, en gehouden moet worden” (VPS, p.17/175). Van den Ende voegt daar aan toe, dat het volk door de democratische praktijk van volksvergaderingen en onderling overleg, ook aan ervaring en inzicht zal winnen: “Waer by ook noch gevoegt kan worden, dat zo wanneer ‘t geheele volk ordentlijk raetslagende, en stemmende; niemants wijsheit, of kennisse onder zo een volk vruchteloos kan zijn; en dienvolgende is het volk, niet alleen van alle wijsheit, en kennisse, onder zich, in alle voorvallen en swarigheeden gedient; maer ook worden zy alle van tijt, tot tijt, meer, en meer, door dusdanighe vrye volx vergaderinghen en onderlinge raetslagen, tot kennisse van ‘t gemeenebest opgewekt, gescherpt, en gesleepen” (VPS, p.17/175). Men merkt inderdaad op dat van den Enden een directe vorm van democratie voor ogen heeft, mét geheime stemming. De soevereiniteit moet volgens hem berusten bij de vergadering van meerderjarige mannen die in staat blijken in hun eigen onderhoud te voorzien (vrouwen, kinderen, en mannen die niet in hun onderhoud kunnen voorzien, horen volgens van den Enden dus niet thuis op de volksvergadering): “Om het welk wat naerder te overweegen, en in te zien; zo zullen wy ons hier voorstellen een vergaderingh van wel bevoegde mannen, of Borgers. (Want der vrouwen, jonge luiden, kinderen, dienende, enz. welstant; kan niet anders, als volkomen van der wel bevoegde mannen welstant af te hangen, en voluit verknocht te zijn geoordeelt worden) welkers mannen, of Borgeren wel bevoegtheit eener alderontsaghelijkste, vrye, en alleen wettige vergaderingh van menschen, acht ik geleegen te zijn, datze van hunne natuurlijke vryheit wel onderrecht zijnde; de zelve kennen, en op ‘t hooghste lieven. Minst, of liever gants niet, met superstitie behebt, of aengedaen, en dien volgende van alle hevige sectgesintheit vry te zijn mogen gezeidt, en geacht werden. Hun eigen onderhout, buiten eenigerhande vile (=verachtelijke) dienstbaerheit, weten te bescharen, en daar toe noch bequaemheit van jaren, enz. hebben. Houdende de stemme des volks, waerlijk, en alleen onder ‘t zelve volk, en vergadering voor de stemme Godts” (VPS p.19/179180). Een beperking bij van den Enden is duidelijk, dat hij vrouwen, en ook mannen die in hun onderhoud voorzien door ‘vile’ vormen van dienstbaarheid (het is niet duidelijk wat dit juist betekent) van het democratisch proces uitsluit. Hij spreekt ook de noodzaak uit dat die mannen zo veel mogelijk vanuit een rationele gesteldheid te werk gaan, en zich zo veel mogelijk los hebben gemaakt van bijgeloof en sekteachtig gedrag. Deze laatste opmerking is volkomen relevant: democratie kan maar functioneren in de mate dat de burgers bereid zijn om ze te laten functioneren. Indien de burgers geen democratie willen, maar bijvoorbeeld theocratie, dan zullen ze de democratie langs democratische weg door een theocratie vervangen (het succes van islamitische partijen in sommige landen met moslimmeerderheid is een concreet voorbeeld van die paradox). Als voorbeeld voor een democratische werking geeft van den Enden de werkwijze in Holland tijdens de oorlog tegen de Spanjaarden. De gemeenteleden beraadslaagden tesamen, en dit in wapenuitrusting. Bij een akkoord werden de wapens op een hoop gegooid. Waren de voorstellen van de leiders onaanvaardbaar, dan uitte men dit door gekrijs en wapengekletter (VPS, p.22). Hierbij aansluitend wordt opgeroepen om amfitheaters te bouwen waarin duizenden burgers kunnen samen vergaderen en via geheime stemming besluiten nemen over de ‘interest van staet’: “Des zelfs vergaderplaets wild ik in ‘t ronde, met onderscheide galleryen, en banken tamelijk verheeven van onderen opwaerts gaende (...) na eisch van ieders Borgherschap wel geordineert, en gebouwt hebben: op dat alle de Borgeren van elkanderen wel gezien, en gehoort, mitsgaders der zelve stemmen ordentlijk, en wel bedekt, door Balletjens, op ‘t vrijst gegeven, en vergadert kosten werden” (VPS, p.31/p.209). Bij de eerste vergadering zouden alle verordeningen die de soevereiniteit van het volk beknotten, publiek moeten worden verbrand: “Laet ons dan ook, tot een eerste intree, en vreughdenvieringh, onzer manhafte resolutie, alle gepretendeerde Graeflijke privilegien, Placcaeten, en Ordonnantien, verkeerde, en uitmergelende vryheits verkrachtende Rechtspleegingen, enz. zo wel van alle voorgaende, als den tegenwoordigen tyran, als kluysters, en boeyens verachtende, met voeten treeden, en als bewijsteekenen onzer ontroofde, en ontweldighde vryheit, door der zelver ghestelde beulen, tot een meede afschaffingh, en laetste dienst bewijzingh, door ‘t vuur opentlijk laten verbranden. En dit zal dan waerlijk en te recht mogen heeten pro libertate Populi, of patriae” (VPS, p.31/p.214215). Vervolgens wordt gepleit voor een bond van aldus democratisch werkende steden, functionerende volgens het principe van de evenredige vertegenwoordiging (VPS, p.34). Van den Enden verzet zich tegen honoraria voor overheidsbedieningen, en pleit voor openbaarheid van beleid, en een gezond financieel beheer, zonder schulden. De wapens moeten in handen van de burgers blijven en de burgers moeten zich regelmatig oefenen in het gebruik ervan: “De wapenen dan moeten in handen, (ik meen niet in vremde, en gehuerde; maer in eigener wel geoeffende handen) niet min stantvastigh, als manhaftigh gegreepen” (VPS, p.30/p.207) “De Jongers, tot hunne mannelijke jaren ghekomen zijnde, moeten voor alle zaken de H. Wapenen dapperlijk te hanteeren, onderweezen werden: Op dat men die noyt, in ghedurige ghehuurde vremde lantloopers handen behoefden te vertrouwen: Want alwaer de kracht, eener gepretendeerde Republijk, tot een ghedurige, en ondragelijke belastingh van ‘t gemeen, voornamentlijk wordt ghepractiseert; weet voorzeeker, dat dit eindtlijk op een ondragelijke Tyranny, en ruine, dier ghepretendeerde Republijk, onvermijdelijk moet uit komen” (VPS, p.35/p.218). Alle functionarissen moeten met wakend oog gevolgd worden, vooral diegenen die uitmunten in welsprekendheid en hebzucht.

Wanneer men de inhoud van de ‘Vrije Politijke Stellingen’ vergelijkt met de huidige toestand, kan men niet anders dan vaststellen dat de meeste doelstellingen van de pioniersfiguur van den Enden nog steeds op realisatie wachten. Van den Ende hanteert nog een beperkt begrip van algemeen stemrecht. Maar hij heeft een scherp begrip van de volksoevereiniteit en van de directe democratie. Hij eist een bewapening van het volk, die nooit werd gerealiseerd, en hij koesterde een vrees betreffende het ontstaan van een politieke klasse, die achteraf bekeken maar al te relevant is gebleken. Er verliepen na van den Endens dood bij de Bastille nog 115 jaren, vooraleer op diezelfde plaats het volk voor het eerst, en tevergeefs, naar het kruit en naar de macht greep.

Ondertussen zijn nog eens 213 jaren verstreken.

Gods molen maalt langzaam.