Geluk en zelfbeschikking

Afdrukken

Aan het ‘Institute for Empirical Research in Economics’ te Zürich werden recent nog andere merkwaardige onderzoeksresultaten bekend gemaakt.

Matthias Benz en Alois Stutzer maakten een studie over het verband tussen arbeidstevredenheid en inspraak bij de bepaling van het loonniveau. Het is bekend dat mensen veel waarde hechten, niet enkel aan een economisch resultaat, maar ook aan de wijze waarop dit tot stand komt.

Wanneer iemand ons schade berokkent, dan zal niet enkel de objectieve schade van belang zijn, maar ook de vraag of de schade al dan niet vrijwillig werd toegebracht. Een vergelijkbare vraag kan men zich stellen in verband met het arbeidsloon. Wordt de tevredenheid over dit loon enkel bewerkt door de hoogte van het loon, of oefent ook de inspraak bij de vaststelling van het loon een invloed uit? In Groot-Brittannië beschikt men over grootschalig enquêtemateriaal (de resultaten van de zogenaamde WERS - Workplace Employee relations Survey) dat toelaat om een antwoord te geven op die vraag. Bij de WERS-enquête werden ongeveer 28.000 Britten in 2.200 verschillende bedrijven ondervraagd. Naar de tevredenheid over hun loonpeil werd geïnformeerd met de vraag: “How satisfied are you with the following aspects of your job? [...] The amount of pay you receive” (‘Hoe tevreden bent U met de volgende aspecten van uw werk? (...) De omvang van de betaling die U ontvangt’). De ondervraagden konden antwoorden met 5=zeer tevreden ; 4=tevreden ; 3 = tevreden noch ontevreden ; 2 = ontevreden ; 1 = zeer ontevreden. De gemiddelde score bedroeg 2,83. Een andere vraag uit de enquête luidde: “How often are you and other workers here asked by managers about views on the following: [...] Pay issues” (‘Hoe vaak vragen managers U en uw collega’s naar uw opvattingen over het volgende: (...) loonzaken’). Mogelijke antwoorden waren hier: 4=vaak ; 3=soms ; 2 = nauwelijks ; 1= nooit. De gemiddelde score bedroeg hier 1,84.

De onderzoekers controleerden de tevredenheid voor een bepaald loonniveau op een groot aantal parameters, wat mogelijk werd gemaakt door het feit dat de WERS-enquête zeer omvangrijk is. Men vindt bijvoorbeeld dat bij eenzelfde loon oudere werknemers minder tevreden zijn dan jongere (wat vermoedelijk wordt veroorzaakt door het feit, dat ouderen doorgaans verwachten meer te verdienen), dat vrouwen tevredener zijn dan mannen, en dat zwarten veel minder tevreden zijn dan blanken (mogelijk het gevolg van culturele verschillen).

De specifieke inspraakmogelijkheden bij de bepaling van de loonregels bleek na al die controles een drastische invloed te hebben op de tevredenheid van de ondervraagden, wat Benz en Stutzer als volgt voorstellen: “If an employee is ‘hardly ever’ asked on pay issues rather than ‘sometimes’ her wage has to be increased by approximately 15 percent in order to keep her pay satisfaction constant” (‘Indien een werknemer ‘nauwelijks’ wordt geconsulteerd over loonzaken, zou men zijn loon met 15% moeten doen stijgen om dezelfde tevredenheid inzake loon te bereiken, die iemand heeft die ‘soms’ wordt geconsulteerd’).

We noteren dat de WERS-vraag zodanig is geformuleerd, dat het eerder gaat over inspraak omtrent algemene loonbepaling in het bedrijf, en niet over individuele loonbepaling. Blijkbaar zorgt het gebrek aan democratie inzake loonzaken voor een aanzienlijk pakket aan ontevredenheid. Er is dus grond om te geloven, dat er een sterke latente vraag bestaat naar een democratisering van de loonvraagstukken.

===> http://www.iew.unizh.ch/wp/iewwp127.pdf


Uit geluksonderzoek blijkt ook dat gehuwde mensen over het algemeen aanzienlijk gelukkiger zijn dan ongehuwden; samenwonenden nemen een tussenpositie in. Deze ‘happiness gap’ wordt de laatste jaren wel kleiner, zowel door afnemend geluk bij de gehuwden als door toenemend geluk bij de ongehuwden. Eén van de grote vragen luidt, wat hier de kip is en wat het ei: zullen gelukkiger mensen gemakkelijker huwen, of worden mensen gelukkiger door de verwerving van de gehuwde status? Stutzer en Frey onderzochten deze kwestie, waarbij gebruik werd gemaakt van een longitudinaal Duits onderzoek. ‘Longitudinaal’ betekent, dat dezelfde personen over een langere periode jaarlijks werden ondervraagd. Dit laat toe om de impact van het huwelijk op het geluksgevoel vast te stellen. Uit de gegevens blijkt, dat een selectie-effect (gelukkiger mensen huwen gemakkelijker) inderdaad optreedt bij mensen die op jongere leeftijd huwen, maar niet bij mensen die op latere leeftijd (30 jaar of ouder) huwden.

Een belangrijk onderzoeksresultaat luidt ook, dat ‘specialisatie’ in het huwelijk tot een aanzienlijk gelukssurplus leidt. Specialisatie betekent, dat één partner (bijna steeds de man) uit werken gaat, terwijl de andere partner (bijna steeds de vrouw) thuis werkt. De onderzoekers melden hierover: “Full specialization in modern societies has a touch of conservatism. In particular, when it means that 96 percent of the cases follow the traditional role model of a husband going out to work while the wife takes care of the household and the children, and only 4 percent specialize the other way round. Specialization in this traditional sense has therefore often been criticized on the grounds of being pleasant for men but discriminating for women. To our surprise, a separate analysis for men and women brought up a competely different finding. Men in marriages with specialization are as satisfied as those in marriages without specialization, and the two groups show similar well-being patterns before marriage. In contrast, women who, after marriage, live in households with complete division of labor report, on average, much higher life satisfaction scores than their female colleagues who do not specialize” (‘Volledige specialisatie wordt in moderne samenlevingen vaak als conservatief beschouwd, temeer daar in 96% van de gevallen het de man is die buitenhuis werkt en de vrouw voor huishouden en kinderen zorgt. Deze traditionele vorm van specialisatie werd vaak bekritiseerd als zijnde goed voor de man, en discriminerend voor de vrouw. Wij vinden, verrassend genoeg, dat mannen in gespecialiseerde en niet-gespecialiseerde gezinnen even tevreden zijn, maar dat vrouwen in gespecialiseerde gezinnen veel tevredener zijn dan vrouwen in niet-gespecialiseerde gezinnen’). Vooral indien er kinderen zijn is het effect zeer substantieel. Mogelijke verklaringen zouden kunnen zijn, dat vrouwen die buitenhuis werken nog steeds het grootste deel van het huishoudelijk werk verrichten, en dat vrouwen hun kleine kinderen ongaarne toevertrouwen aan anderen. Dit laatste lijkt ons persoonlijk de meest waarschijnlijke uitleg, vermits de gegevens duidelijk laten zien dat de gelukskloof het breedst is tijdens de eerste jaren na het huwelijk, wanneer de kans op de aanwezigheid van babies of kleuters in het gezin het grootste is. Een ander interessant effect is de afname van het geluk bij koppels met kinderen, ten opzichte van de situatie bij koppels zonder kinderen. Na tien jaar huwelijk zijn de koppels zonder kinderen aanzienlijk gelukkiger dan de koppels mét kinderen. De meest plausibele verklaring voor dit verschil is natuurlijk de inkomenskloof: gezinnen met kinderen hebben gemiddeld een aanzienlijk lagere levensstandaard dan gezinnen zonder kinderen, omdat de staat de kosten verbonden aan de vervanging der generaties voor een groot deel overlaat aan de gezinnen, terwijl de baten verbonden aan die vervanging via het pensioenstelsel niet alleen zijn gesocialiseerd, maar zelfs herverdeeld worden ten nadele van de koppels die kinderen hadden. Ook aan het voorbeeld van het huwelijk zien we dus, dat het regime stelselmatig een politiek volgt die het geluk afbreekt.

===> http://www.iew.unizh.ch/wp/iewwp143.pdf


Een derde interessant onderzoek betreft de invloed van zelfstandige arbeid op het geluksgevoel. Er bestaat heel wat recent onderzoek waaruit blijkt dat zelfstandige arbeid ceteris paribus verkozen wordt boven arbeid in hiërarchisch verband. Zo heeft Hamilton aangetoond dat zelfstandig werkende mensen bereid blijken om aan een deel van hun inkomen te verzaken indien ze daardoor zelfstandig kunnen blijven (B.H.Hamilton “Does entrepreneurship pay? An empirical analysis of returns to self-employment” Journal of Political Economy 108, p.604-632, 2000). Hundley vond dat zelfstandig werkende mensen meer tevreden zijn met hun werk, ondermeer omdat ze over meer autonomie en flexibiliteit beschikken en hun vaardigheden efficiënter kunnen inzetten (G.Hundley “Why and when are the self-employed more satisfied with their work?” Industrial relations 40, p.293-317, 2001).

Frey en Benz maakten gebruik van Duits, Brits en Zwitsers onderzoek om het verband na te gaan tussen ‘job satisfaction’ en zelfstandigheid. Om dit soort onderzoek bevredigend te kunnen uitvoeren zijn uitvoerige enquêtes nodig. Niet enkel moet gepeild worden naar de werksituatie en de werktevredenheid, maar ook een hele reeks andere parameters (zoals gezinstoestand, inkomen, opleidingsgraad...) moeten gekend zijn, om te kunnen corrigeren voor die factoren.

Een ander interessant onderzoeksresultaat is, dat de werktevredenheid afneemt naarmate de onderneming (en dus de hiërarchische structuur) omvangrijker is. In ondernemingen met 200-500 werknemers is de werktevredenheid het laagst; voor nog grotere ondernemingen stijgt ze weer lichtjes.

Dank zij de gedetailleerdheid van de Britse vragenlijst konden Frey en Benz ook precies nagaan welk aspect van de zelfstandige arbeid het surplus aan tevredenheid teweegbracht. De ondervraagden bij het ‘British Household Panel’ duidden immers afzonderlijk hun tevredenheid aan over ‘job security’ (werkzekerheid), hun werklast (‘the hours you work’), hun vermogen om zelf initiatief te nemen (‘being able to use their own initiative’) en de aard van het werk zelf (‘actual work itself’). Het blijken de laatstgenoemde twee aspecten te zijn die het surplus aan werktevredenheid bij zelfstandig arbeidenden verklaren. De auteurs besluiten: “..people prefer independence, and the relative absence of hierarchy, for purely non-instrumental reasons..” (‘mensen verkiezen onafhankelijkheid, en een relatieve afwezigheid van hiërarchische structuren, voor zuiver non-instrumentele redenen..’). Net zoals een groot deel van het surplus aan tevredenheid, dat directe democratie meebrengt, wordt veroorzaakt door het zuivere feit dat men mee kan beslissen, wordt ook het grootste deel van de extra tevredenheid die samenhangt met een zelfstandige arbeidssituatie, veroorzaakt door die zelfstandigheid en mogelijkheid tot zelfbepaling als zodanig.

Frey en Benz trekken uit hun studie ook politieke lessen. In de industriële wereld zouden vele mensen eigenlijk zelfstandig willen werken (D.G.Blanchflower, A.J.Oswald en A.Stutzer ‘Latent entrepreneurship across nations’ European Economic Review 45, 680-691, 2001), maar bureaucratische barrières en een onvoldoende toegang tot krediet blokkeren voor velen deze wens.

Nog algemener kan men zeggen, dat de algemene mogelijkheid tot zelfbepaling een bron is van tevredenheid en geluk, zowel in de politiek-democratische als in de economische sfeer. Zowel (meer) democratie als economische zelfstandigheid zijn waarden op zich: “Independence is a value in itself, compared to being subject to a hierarchy” (‘onafhankelijkheid is een waarde op zich, in vergelijking met ondergeschiktheid aan een hiërarchie’).

Algemene conclusie

Wat kunnen we uit dit soort studies besluiten voor onze democratische strijd? We ontdekken, dat de strijd voor de invoering van een daadwerkelijke democratie in ons land geen geïsoleerde onderneming is. Deze strijd past in een breder beeld, waarin de mens zich gaandeweg een weg baant naar meer en meer autonomie. Autonomie is een sleutel tot het reële geluk.

Dit soort vaststellingen past in de algemene, door Ryan en Deci reeds sedert lange tijd beschreven antropologische waarneming, dat zelfbepaling en de mogelijkheid, om het leven in te richten vanuit intrinsieke motivatie, op zich essentiële waarden zijn (R.Ryan & E.L.Deci “The ‘what’ and ‘why’ of goal pursuits: human needs and the self-determination of behavior” Psychological Inquiry, 11, p.227-268, 2000). Democratie is belangrijk om dezelfde reden, waarom bijvoorbeeld ook zelfstandige arbeid belangrijk is.

Vanuit de politieke klasse wordt het menselijk streven naar autonomie en zelfbepaling meestal meesmuilend als verwerpelijk ‘individualisme’ afgedaan. Dat is een vergissing, waarbij de morele wezenskern wordt miskend die in ieder mens sluimert. Wanneer mensen voortdurend worden geconfronteerd met pogingen van buitenaf, om hun leven te bepalen en hun denken ‘op te voeden’, dan zullen mensen zich bij wijze van reactie afsluiten en egoïstisch gaan handelen in een samenleving, die hen blijkbaar toch niet als moreel producent erkent. Indien een samenleving daarentegen de individuele mens ruimte geeft voor eigen initiatief en eigen morele schepping, en de wens van de individuele mens tot zelfbepaling ten volle erkent, dan zal dat individu daarop ook reageren met daden en morele initiatieven, die vruchtbaar zijn voor de samenleving in haar geheel. De hele politieke kunst bestaat dus hierin, dat men de mogelijkheden voor zelfstandig leven, denken en spreken van de individuen optimaliseert. In de woorden van Steiner: “..die soziale Kunst würde darin bestehen, daß man das, was uns äußerlich umgibt, allmählich so umwandelt, daß es der Mensch behandeln kann wie das, was ihm von innen aus eigen ist, wie das, was ganz aus seiner Individualität herausquillt” (‘...sociale kunst zou daaruit bestaan, dat men onze omgeving zodanig hervormt dat de mens met die omgeving kan omgaan als iets, wat met zijn innerlijk leven is verwant, als iets, wat uit zijn eigen individualiteit is opgestegen’ -R.Steiner Gesamtausgabe 338, p.113).