Het particratisch argument

Afdrukken

Democraten zeggen vaak, dat representatieve verkiezingen meer bekwaamheid en inzet vergen dan referenda. Bij deelname aan representatieve verkiezingen moet je vele dingen tegelijk afwegen en inschatten. Je moet vooreerst goede politieke besluiten van slechte politieke besluiten kunnen onderscheiden. Een goed politicus herken je immers per definitie aan het feit, dat hij goede politieke besluiten neemt. Vervolgens moet je ook de kandidaatmandataris kunnen taxeren op kwaliteiten als betrouwbaarheid, doorzicht of werkkracht.


Bij een referendum zijn de vereisten meer beperkt. Om verantwoord te stemmen moet je slechts op één domein een goed van een slecht politiek besluit kunnen onderscheiden. En je moet niemand persoonlijk taxeren of inschatten. Democraten zeggen dus dat kiezers, die kunnen deelnemen aan representatieve verkiezingen, a fortiori ook kunnen deelnemen aan referenda.

Particraten verwerpen dit argument. Zij vinden dat kiezers te dom, te lui of te onbekwaam zijn, of in elk geval te weinig tijd hebben, om rechtstreeks te kunnen oordelen over concrete onderwerpen. Maar die onbekwame kiezer kan wel op verantwoorde manier een volksvertegenwoordiger kiezen.

Hoe is dat mogelijk? Particraten gebruiken op dit punt graag een vergelijking. Je hebt bijvoorbeeld zelf twee linkerhanden, maar toch ben je bekwaam om goed loodgieterswerk van prutswerk te onderscheiden. Of je vindt iemand een goede arts, ook al weet je zelf niets af van geneeskunde. Algemeen: je kan iemands vaardigheden inschatten, ook al beschik je niet zelf over die vaardigheden. Volgens de particraten moeten we de beoefening van de politiek overlaten aan een vrij door ons gekozen politicus, net zoals we de beoefening van de geneeskunde moeten overlaten aan een vrij door ons gekozen geneesheer. Directe democratie via referenda, aldus het particratisch betoog, is niets anders dan een kwalijke vorm van zelfmedicatie.

Particraten beweren zelfs, dat kiezers juist beter zijn geïnformeerd bij indirecte verkiezingen: “Bij de verkiezing van vertegenwoordigers staat het label van de partij boven aan een lijst. Dit is een cognitief hulpmiddel bij het bepalen van de keuze omdat via dit label een associatie, een (eventuele) verbondenheid met een politieke familie tot stand komt (...). Daardoor is de keuze van de kiezer gemakkelijker in de mate dat hij of zij zich met een partij associeert. Ook gaat een zeker appèl uit van herkenbare politieke figuren, iets wat geheel ontbreekt in een referendum. Het kan wel zijn dat groeperingen en politieke partijen ten opzichte van de referendumvraag een standpunt hebben ingenomen, maar nergens is deze associatie aanwezig op het kiesformulier. De taak bij een volksraadpleging of referendum zou dus cognitief veel complexer zijn dan bij de verkiezing van vertegenwoordigers” (advies door het wetenschappelijk comité voor de commissie voor politieke vernieuwing, Kamerdocument 50 0797/002, p.56-57). Dit is natuurlijk een transparante drogredenering. Waar het bij verkiezingen om gaat, is de mogelijkheid om de wetgeving in de gewenste zin te beïnvloeden. En het is evident dat de kiezer, om de wetgeving langs indirecte weg te beïnvloeden, over veel meer kennis moet beschikken. Bij indirecte verkiezingen moet de kiezer niet enkel goede van het slechte wetsvoorstellen kunnen onderscheiden, hij moet ook nog eens gaan inschatten in welke mate de diverse partijen en kandidaten de door hem gewenste wetwijzigingen gaan realiseren. In het citaat hierboven worden de aanwijzingen, die een kiezer heeft om bij een referendum pro of contra te stemmen, vergeleken met de aanwijzingen waarover de kiezer beschikt, om voor of tegen deze of gene partij te stemmen. Zo vergelijk je appels met citroenen, want wie stemt voor een partij, weet daarmee nauwelijks in welke zin hij het wetgevend werk zal beïnvloeden. Hoeveel CD&V kiezers dachten bij de stembusgang van 1999 aan het homohuwelijk, of hoeveel Agalevkiezers dachten aan de wapenlevering aan Nepal, toen ze hun stem uitbrachten? Bovendien zijn de ‘cues’ waarover de professoren reppen sowieso waardeloos voor kiezers, die niet in partijprogramma’s doch slechts in concrete wetsveranderingen zijn geïnteresseerd. En dat is voor de meeste kiezers het geval: er zijn bijna geen burgers, die zich min of meer volledig in het programma van één welbepaalde partij kunnen terugvinden.

Blijft de kern van het particratische argument: verkozenen kunnen bekwamere en beter geïnformeerde keuzes maken dan de modale burger. Net zoals loodgieterij of artsenij is ook politiek een vak, mijnheer. Wetgevend werk mag men niet aan amateurs overlaten!

Doen politici dan in technische zin iets bijzonders, wat gewone burgers niet kunnen? ‘Ja’ of ‘nee’ zeggen tegen een wetsvoorstel vergt op zich geen enkele scholing. Iedereen kan op een stemknopje drukken, of op een formulier een bolletje zwarten. Niet iedereen kan een waterleiding leggen of een intraveneuze injectie toedienen. Maar iedereen kan een stem uitbrengen.

Is er geen bijzondere bekwaamheid vereist om een verantwoorde stem uit te brengen? Moet men niet vele uren of dagen studie en discussie besteden aan een wetsvoorstel, vooraleer daarover een stem kan worden uitgebracht? Parlementsleden, zo luidt het argument, hebben daar de tijd voor. Zij zijn daarvoor vrijgesteld. De modale burger niet.

De waarheid is natuurlijk, dat parlementsleden zelden of nooit stemmen op basis van eigen inzicht en eigen studie. Zij stemmen volgens de partijdirectieven. Juist daarom loopt het stemgedrag van de parlementsleden die tot dezelfde fractie behoren, zo verbazend parallel. In de meeste gevallen hebben parlementsleden de wet waarover ze stemmen, niet eens gelezen, laat staan begrepen. Hoeveel leden van het Vlaams parlement zouden bijvoorbeeld het decreet over de eindtermen in het middelbaar onderwijs zelfs maar oppervlakkig hebben doorgenomen?
Parlementsleden specialiseren zich op een beperkt domein, en steken nogal wat tijd in het gespecialiseerde commissiewerk op dit domein. Voor het overige gebruiken zij ‘shortcuts’: dat wil zeggen dat zij een onderwerp niet zelf bestuderen, maar afgaan op de autoriteit van anderen. Dat is precies hetzelfde wat ook de meeste burgers doen bij een referendum. Sommigen verdiepen zich in het onderwerp, maar de meerderheid zal zich oriënteren op de opinie van mensen of verenigingen die zij beschouwen als autoriteiten op het betrokken gebied. Bijzondere scholing of studie is daar niet voor nodig. Je hoeft dan ook niets speciaals te studeren om parlementslid of minister te kunnen worden. En ja, een parlementslid steekt meer tijd in politieke besluitvorming dan een gewone burger, die aan een referendum deelneemt. Maar het parlementslid stemt ook over veel meer wetten. Er is geen aanwijzing dat een parlementslid per gestemde wet meer tijd uittrekt dan een burger die aan een referendum deelneemt.

Evenmin zijn er bewijzen dat door burgers per referendum gestemde wetten dommer of nefaster zijn dan wetten, die langs parlementaire weg zijn goedgekeurd. Wat onze hooggeleerde professoren in de parlementaire commissie ook mogen beweren, het blijft een simpel logisch feit dat mensen, die in staat zijn om een parlement te kiezen dat goede wetten kan maken, a fortiori ook in staat moeten zijn om rechtstreeks goede wetten te maken. Michael Gallagher schreef over dit punt: “...European experience does not confront us with any obvious examples of irresponsible electorates plunging headlong into misguided decisions while an enlightened legislature wrings its hands helplessly on the sidelines. Of course, voters can make decisions that do not have the positive consequences envisaged, that do not take much account of the feelings of minorities, or that are simply ill-considered - but so can legislatures” (‘De Europese ervaring levert geen voorbeeld van een onverantwoordelijk kiezerscorps dat blindelings in de fout gaat terwijl een verlicht parlement vanaf de zijlijn machteloos moest toekijken. Natuurlijk kunnen kiezers beslissingen nemen die niet het verhoopte positief resultaat opleveren, onvoldoende de gevoeligheden van minderheden in rekening nemen, of gewoonweg verkeerd bekeken waren; maar parlementen kunnen dat evengoed’ EM. Gallagher en P.V.Uleri ‘The referendum experience in Europe’, London: McMillan 1996, p.241). Dezelfde overweging vinden we ook terug bij Cronin: “Critics of the direct legislation frequently have a view of state legislators that borders on the mythical: highly intelligent; extremely well informed; as rational as a virtuous, wise and deliberative statesman; and as competent as corporate presidents and university professors. These same critics tend to view the people as a ‘mob’, unworthy of being trusted. Yet the people, or so-called mob, are the same persons who elect legislators. How is it that they can choose between good and bad candidates but cannot choose between good and bad laws?” (‘Diegenen die directe democratie bekritiseren hebben vaak een mythische kijk op het parlementslid. Dat zouden hoogintelligente en buitengewoon goed ingelichte figuren zijn, rationele, deugdzame, wijze en bedachtzame staatsmannen, met de bekwaamheid van een bedrijfsleider of een hoogleraar. Het volk daarentegen wordt door dezelfden als een onbetrouwbare meute afgeschilderd. Toch is het diezelfde zogezegde meute die de parlementsleden verkiest. Hoe kan het gepeupel goede van slechte kandidaten onderscheiden, indien het geen onderscheid maken kan tussen goede en slechte wetten?’; T.E.Cronin ‘Direct Democracy’ London: harvard UP 1989, p.87).

Kortom: de vergelijking tussen het wetgevend werk en geschoolde vakarbeid, die niet voor iedereen is weggelegd, is volkomen ongepast. Iedereen met normaal gezond verstand kan via een referendum aan politieke besluitvorming deelnemen.

Maar er is meer. Ten gronde is het recht op individuele deelname aan de politieke besluitvorming onvervreemdbaar. De kern van een politiek besluit is immers altijd moreel. Politieke besluitvorming betekent: op basis van objectieve feiten, in eer en geweten een keuze maken voor het goede. Er is slechts sprake van politieke besluitvorming in de mate, dat de feiten ruimte laten voor zo’n morele keuze. We stemmen niet over de vraag hoeveel 2 + 3 is, noch over de vraag of een brugpeiler van een gegeven dikte en samenstelling, het wel of niet zal houden. Dat is ingenieurswerk. Maar we kunnen wel in eer en geweten stemmen over de vraag, of de betrokken brug uit ecologisch en maatschappelijk gezichtspunt wenselijk is of niet. Politiek begint waar, in maatschappelijke kwesties, de gewetens moeten onderscheiden tussen goed en kwaad.

Welnu, het geweten en het gewetensvol oordeel zijn, door hun natuur, onvervreemdbaar met het individu gebonden. Je kan je morele oordeelsvorming en je geweten niet uitbesteden. Je kan niemand vragen, om in jouw plaats te ademen. Op dezelfde wijze kan je niemand vragen, om in jouw plaats een gewetensvol leven te leiden. Zeker, mensen kunnen elkaar mandaten geven op basis van vrijwillig geschonken vertrouwen. Maar zij kunnen hun gewetens niet uitleveren aan elkaar. Dat betekent dat een mandatering nooit absoluut kan zijn: wanneer zich omstandigheden voordoen waarin burgers in geweten oordelen dat direct moet worden beslist, dan moeten zij de mogelijkheid hebben om terzake een initiatief te nemen. Net zoals iedereen een arbeidsovereenkomst kàn sluiten, maar niemand mag gedwongen worden om zo’n overeenkomst te sluiten, zou ook iedereen de mogelijkheid moeten hebben om politiek te mandateren, maar niet mogen gedwongen worden tot mandatering, zoals in ons huidig systeem het geval is. Gedwongen politieke mandatering is even verwerpelijk als een gedwongen arbeidsovereenkomst; in beide gevallen heb je te maken met verhulde vormen van slavernij. In een echte democratie geven burgers een vertrouwensvol mandaat aan verkozenen, om het wetgevend werk te verrichten waarmee het gros van de burgers zich niet direct kan of wil inlaten. Maar diezelfde burgers behouden in een democratie wel de volle mogelijkheid om, telkens dit nodig lijkt, direct volgens hun geweten te beslissen - via het bindend referendum op volksinitiatief.