Wijsheid voor de massa?

Afdrukken

James SurowieckiEén van de merkwaardigste boeken uit 2004 was “The Wisdom of Crowds” van James Surowiecki (Doubleday). De associatie tussen de begrippen ‘massa’ en ‘dom’ is spreekwoordelijk, en er zijn heel wat boeken over geschreven. Surowiecki betoogt dat een grote groep mensen onder bepaalde voorwaarden tot collectieve besluiten kan komen, die beter of nauwkeuriger zijn dan de overgrote meerderheid van de individueel genomen be-sluiten. Dat is een belangwekkend inzicht, en de vraag dient gesteld of dit besluit ook relevant is voor democratische besluitvorming.

 



Een van de eerste voorbeelden die Surowiecki geeft betreft een waarneming van Francis Galton. Deze halfneef van Charles Darwin was allerminst een egalitarist. Naar zijn mening waren de meeste mensen gewoon dom. In 1906 maakte Galton op een dorpskermis een soort raadwedstrijd mee. Het was de bedoeling dat kermisgangers het gewicht zouden raden van een os, die op het marktplein te prijk was gesteld. Niet minder dan 787 mensen deden een gok; veekenners zowel als toevallige passanten. Galton verwachtte dat het gemiddelde van al die schattingen ver naast de waarheid zou uitkomen.

In werkelijkheid lag het gemiddelde van de bijna 800 schattingen ongeveer één pond naast het echte gewicht van het rund, dat 1197 pond bedroeg.

In de eerste helft van de twintigste eeuw werden heel wat experimenten uitgevoerd, die vergelijkbare resultaten opleverden. Klassiek zijn de proeven van prof. Jack Treynor, die een groot aantal personen liet raden hoeveel bonen zich in een glazen fles bevonden. Ook hij vond, dat het groepsgemiddelde veel dichter bij het correcte resultaat uitkwam dan de overgrote meerderheid van de individuele gissingen. Eén van de merkwaardigste verhalen in Surowiecki’s boek betreft de opsporing van de Scorpion, een duikboot die in mei 1968 was vergaan. Een Navy-onderzoeker, John Craven, gebruikte een originele methode om zo nauwkeurig mogelijk te schatten waar het wrak van de onderzeeër zich zou bevinden. Hij sprak een groot aantal duikbootspecialisten, wiskundigen en diepzeeredders aan, en liet ze individueel een gok maken omtrent het mogelijke lot van de duikboot. De enige gegevens die de ondervraagden kregen, was de laatst gekende positie en snelheid van de boot. Craven verwerkte die ‘guesstimates’ dan om een geschatte positie van het wrak te berekenen. Het wrak bleek zich te bevinden op minder dan 80 meter van de plek, die via de collectieve schatting was voorzien.

 

Surowiecki geeft in zijn boek overwegend ‘cognitieve’ voorbeelden. Mensen kunnen blijkbaar onder bepaalde voorwaarden groepsgewijs erg nauwkeurig de werkelijkheid inschatten. De reden is ongetwijfeld, dat de individuele fouten en eenzijdigheden elkaar compenseren wanneer de individueel gevormde inzichten worden samengenomen. Blijkbaar wordt het individueel gevormde beeld of besluit voortgebracht door twee componenten: een algemeen-menselijke objectieve component en een subjectieve component die de eenzijdigheden en tekorten van het individu weerspiegelt. Samenvoeging van de individuele beelden of besluiten leidt tot wederzijdse compensatie en wegzuivering van de subjectieve componenten, en vergroot het aandeel van de objectieve component. Dit uitzuiveringsproces kan natuurlijk ook optreden wanneer de beeldvorming geen zuiver cognitieve vraag betreft (zoals bijvoorbeeld het gewicht van Galtons os) maar wanneer morele maatschappelijke keuzes moeten gemaakt worden. Ook dan kan men zeggen, dat het oordeel van ieder individu een soort subjectieve vertekening vertoont, die door samenvoeging van de individuele oordelen wordt uitgezuiverd. Hierdoor kan het collectieve oordeel ook superieur zijn aan het oordeel van een individuele ‘expert’. Surowiecki zegt in dat verband: “Experts, no matter how smart, only have limited amounts of information. They also, like all of us, have biases. It’s very rare that one person can know more than a large group of people, and almost never does that same person know more about a whole series of questions. The other problem in finding an expert is that it’s actually hard to identify true experts. In fact, if a group is smart enough to find a real expert, it’s more than smart enough not to need one” (in deze laatste zin weerlegt Surowiecki, met zijn eigen woorden, een klassiek argument tegen directe democratie: indien burgers bekwaam zijn om goede volksvertegenwoordigers te kiezen, zijn ze a fortiori ook bekwaam genoeg om desgewenst zelf direct te beslissen).


Met dit alles wordt niet bedoeld, dat democratie vakkennis kan vervangen. Een groep kan, zo merkt Surowiecki op, geen vliegtuig besturen of een hartoperatie tot een goed einde brengen. De waarnemingen bijeengebracht door Surowiecki vormen integendeel een argument, om het deel van het maatschappelijk veld waar specifiek te ontwikkelen vakbekwaamheid doorslaggevend is (zowat het hele economische veld dus) aan de democratische controle te onttrekken. En uiteraard vormen deze waarnemingen ook een pleidooi tegen democratische controle over, en uniformisering van de opvattingen en de gezichtspunten zelf, want het is (zoals we zullen zien) juist de diversiteit van de gezichtspunten die de collectieve besluitvorming zo doeltreffend maken kan. Maar op domeinen waar geen specifiek te ontwikkelen vaardigheden zijn vereist, kan een collectief oordeel dat gebaseerd is op een brede waaier van individueel gemaakte keuzes, superieur zijn aan het individuele oordeel.

Opdat dit daadwerkelijk het geval zou zijn, moet wel aan enkele voorwaarden worden voldaan. Volgens Surowiecki leidt een collectief oordeel niet automatisch tot een superieur resultaat. Hij onderscheidt vier voorwaarden, waaraan een collectieve beslissing moet voldoen om ‘wijs’ te kunnen zijn. In een interview omschrijft hij deze voorwaarden als volgt: “There are four key qualities that make a crowd smart. It needs to be diverse, so that people are bringing different pieces of information to the table. It needs to be decentralized, so that no one at the top is dictating the crowd’s answer. It needs a way of summarizing people’s opinions into one collective verdict. And the people in the crowd need to be independent, so that they pay attention mostly to their own information, and not worrying about what everyone around them thinks”.

In welke mate beantwoorden parlementaire besluitvorming (in een particratie) en directe besluitvorming bij een referendum op volksinitiatief aan deze voorwaarden? Een overzicht.

I. Diversiteit


Een besluitvormingsproces verbetert naarmate het gevoed wordt door bijdragen afkomstig uit meer diverse invalshoeken. Diversiteit van ideeën en gezichtspunten is belangrijk, omdat eenzijdigheden elkaar dan wederzijds kunnen compenseren.

De politieke klasse gebruikt de term ‘diversiteit’ in een valse zin. Zij associeert ‘diversiteit’ met biologische of etnische kenmerken. Dit soort ‘diversiteit’ is irrelevant, en de catalogisering van mensen volgens zulke criteria is mensonwaardig. Het komt aan op de individuele geestelijke verschillen. Een grote groep, die op homogene en slaafse wijze één gezichtspunt aanhangt, heeft voor authentieke diversiteit veel minder betekenis dan een handvol zelfstandig denkende en vanuit uiteenlopende standpunten oordelende individuen.

Inzake authentieke diversiteit is parlementaire besluitvorming drastisch inferieur aan directe besluitvorming via referenda. Parlementairen hebben een relatief uniforme achtergrond. Het zijn doorgaans beroepspolitici, met zeer weinig kinderen, een hoog inkomen, oververtegenwoordiging van bepaalde studierichtingen enz. Zij zijn niet geselecteerd op basis van hun vermogen om een goed oordeel te vellen, maar op basis van hun vermogen om zich in een partijstructuur naar de hogere regionen te manoeuvreren. De verzameling van de deelnemers aan een referendum zal altijd, zelfs bij relatief kleine opkomst, een eindeloos grotere inhoudelijke diversiteit vertonen dan de verzameling van de parlementsleden.

De diversiteit in het parlement zou sterk verhoogd kunnen worden door de invoering van ‘term limits’. De tijd gedurende dewelke iemand een mandaat kan bekleden zou best drastisch beperkt worden, tot een periode van bijvoorbeeld tien jaar. Op die manier zou men kunnen vermijden dat er een klasse van beroepspolitici ontstaat, met eigen belangen die onverenigbaar zijn met het algemeen belang. Waarom is het zo aartsmoeilijk om in België een democratisch regime in te voeren, gebaseerd op het beginsel van de volkssoevereiniteit? De echte reden is, dat zo’n stap ingaat tegen de belangen van de klasse der beroepspolitici, en dat het juist die klasse is die de lakens uitdeelt. Indien het parlement zou bevolkt worden door mensen, die het grootste deel van hun leven geen mandaat bekleden, zou de identificatie van de parlementsleden met de belangen van de politieke klasse grotendeels wegvallen. De groene partij Agalev was in zijn beginperiode een voorstander van ‘term limits’, maar later werd dit principe verlaten, precies onder druk van verkozenen die hun mandaat wilden verlengen. In verscheidene deelstaten van de USA zijn via referenda ‘term limits’ ingevoerd, vrijwel altijd tegen de wens in van de politieke kaste (1).

Daarentegen heeft de politieke kaste een hele politiek-correcte cultus gecreëerd rond valse diversiteit (men spreekt dan van het ‘afspiegelingsprincipe’: het parlement moet hetzelfde percentage vrouwen, allochtonen enz. tellen als de globale bevolking). In geestelijk opzicht lijkt het parlement daarentegen steeds homogener te worden. En zelfs binnen het parlement worden via diverse mechanismen (opsplitsing van de verkozenen in ‘meerderheid’ en ‘oppositie’, ‘cordon sanitaire’ ...) allerhande gezichtspunten uitgesloten van bijdrage tot de besluitvorming (zie verder).

II. Decentralisatie


De vereiste tot decentralisatie heeft betrekking op de informatiebronnen en het gebruik dat ervan wordt gemaakt. Zelfs indien alle individuen tot de collectieve besluitvorming kunnen bijdragen, en zelfs wanneer ze dit op een zelfstandige wijze proberen te doen, dan zal de kwaliteit van de besluitvorming nog altijd lijden indien de informatie eenzijdig of gecentraliseerd is. “The more diverse and free the flow of information in a society is, the better the decisions that society will reach”.

Uit diverse onderzoekingen is gebleken dat de grote meerderheid van de journalisten, zowel in België als in andere Westerse landen, een ‘progressief’ en globalistische agenda aanhangen en dito stemgedrag vertonen. Iemand met afwijkende opvattingen, waartoe ondergetekende zich rekent, moet een krant al decoderend proberen te lezen. De informatiestromen zijn buitengewoon eenzijdig, en vaak heeft men te doen met een soort operette, waarbij machtshebbers en journalisten letterlijk nieuwsitems creëren (en tegelijk ongeschikt bevonden aspecten van de werkelijkheid buiten beeld houden). De laatste twintig jaar komt daar het fenomeen bij van het wettelijk verbod op bepaalde vormen van meningsuiting. Binnen de politieke klasse heeft zich een soort seculiere anti-religie gevormd, waarbij aan de holocaust een centrale rol wordt toebedeeld. De strengste censuurwetten hebben betrekking op dit onderwerp. Maar ook de vormen van ‘haat’ die haaks staan op de globalistische agenda worden vervolgd. Een voorbeeld is de veroordeling van het Vlaams Blok, waarvoor eerst ook de geschikte rechter werd aangeduid: de wet werd zodanig gewijzigd dat niet langer een volksjury mocht oordelen, maar wel rechters die lid waren van een loge of serviceclub.

Het spreekt vanzelf dat onder zulke omstandigheden niet langer sprake is van een gedecentraliseerde informatie-stroom. Een particratie draagt in zich de tendens tot monopolisering van de informatie, en tot beperking van de mogelijkheid voor de burgers, om vrije toegang te bekomen tot de meest uiteenlopende gezichtspunten. Maar ook een democratisch regime zal op dit punt altijd uiterst waakzaam moeten blijven.

III. Procedure


Er dient een procedure te bestaan, die toelaat om het individueel oordeel in zuivere vorm te laten overvloeien in het collectief besluit. Het belangrijkste probleem dat zich op dit domein stelt is de uitsluiting van de sociale druk bij het uitspreken van het individuele oordeel. Bij volksreferenda is dit probleem in wezen opgelost, door de stemming te laten plaatsvinden op niet-werkdagen en het strikt geheim karakter van de stemming te waarborgen.

Deze maatregel dient ook tot het parlement te worden uitgebreid. Parlementsleden moeten steeds hun stem in het geheim kunnen uitbrengen, zonder dat het oog van hun voorzitter of fractieleider op het stemknopje is gevestigd. In discussies merk ik vaak, dat velen zich zo’n situatie niet goed kunnen voorstellen. Zij verlangen te weten wat ‘hun’ volksvertegenwoordiger in het parlement zoal goed- of afkeurt, omdat zij anders niet kunnen oordelen over de kwaliteit van de verkozene.

In een democratie heeft een parlement echter een totaal ander karakter dan in een particratisch regime. In een democratisch parlement zijn de verkozenen geen beroepspolitici, maar mensen die op de meest uiteenlopende wijze in het leven stonden en door hun medeburgers, op basis van hun prestaties en inbreng in het maatschappelijk leven, geschikt werden bevonden om gedurende een zekere tijd de besluitvorming waar te nemen voor de kwesties, waarover de burgers niet rechtstreeks wensen te beslissen. Discussies en stemmingen in zo’n democratisch parlement verschillen niet wezenlijk van referenda. Zij kunnen beschouwd worden als referenda met een beperkte opkomst en moeten onder dezelfde fundamentele voorwaarden kunnen verlopen. Een parlementslid moet ik niet kiezen, omdat ik iemand zoek die stemt zoals ikzelf zou willen stemmen. Indien ik zelf wil stemmen over een of ander onderwerp, dan moet ik proberen om met medegeïnteresseerden een volksreferendum op poten te zetten. Een parlementslid kies ik, omdat ik iemand nodig heb die zich wil verdiepen in besluitvormingsdossiers, die moéten afgewikkeld worden maar waarvoor weinig burgers echt tijd vrij kunnen maken.

De neiging om, via een blik op de stemknop de verkozene onder controle te houden, weerspiegelt eigenlijk onze dubbele onvrede over het momenteel bestaande particratische systeem. Enerzijds willen we meebeslissen, maar dit blijkt in een particratisch systeem onmogelijk. Daarom willen we onze verkozene instrumentaliseren, en hem maken tot iemand die zoveel mogelijk onze voorkeuren uitdrukt. Anderzijds willen we de verkozene ook controleren omdat hij zoveel macht over ons heeft. In een democratisch regime vallen beide motieven weg. In een democratie wordt een volksvertegenwoordiger normaliter niet herkozen. De democratische volksvertegenwoordiger wordt gekozen omwille van zijn algemene kwaliteiten, die hij heeft bewezen buiten het parlement, in het leven van alledag. Bovendien kunnen door het parlement genomen besluiten die tegen de meerderheidswil van de bevolking ingaan, ten alle tijde worden teruggeschroefd via een volksreferendum, zodat de vrees voor onterechte machtsuitoefening door het parlement niet langer hoeft te bestaan. Nee, in een democratie dient een volksvertegenwoordiger daadwerkelijk ons vertrouwen te krijgen, en moet hij nadien zijn werk kunnen doen naar eigen inzicht en geweten. Hij moet in het parlement kunnen werken, niet als een marionet van zijn kiezers of van zijn partij, maar als een vrije mens. Want enkel vrije mensen kunnen hun verstand en geweten volgen.

IV. Onafhankelijkheid van de deelnemers


Een vierde voorwaarde luidt, dat de collectieve beslissing het resultaat moet zijn van autonoom genomen individuele beslissingen. De individuen dienen onafhankelijk van elkaar te oordelen. De collectivisering van de inzichten heeft slechts waarde, indien voorafgaand de oordeelsvorming op individuele en autonome wijze gebeurde. “The paradox of the wisdom of crowds is that the best group decisions come from lots of independent individual decisions”.

Nu is het duidelijk dat een parlementaire besluitvorming volkomen haaks staat op deze vereiste. Parlementsleden oordelen niet onafhankelijk of autonoom. Herman Van Rompuy lichtte dit onlangs nog eens toe, toen hij in De Standaard (31-12-04, p.15) het zwijgakkoord in het Vlaams parlement verdedigde: “Vergeet niet dat een parlementslid het moeilijk heeft. Ofwel zit hij in de oppositie en dan heeft hij niets te zeggen. Zelfs een technisch amendement maakt geen kans (...) Ofwel maak je als parlementslid deel uit van een meerpartijenmeerderheid. Dan is het regeerakkoord zo’n porseleinwinkel, dat je vanuit de fracties niets meer kunt veranderen. Dat is frusterend”. Noteer dat Van Rompuy de machteloosheid en de onderworpenheid van de zogenaamde volksvertegenwoordigers helemaal niet aanklaagt. Integendeel: hij lijkt dit als een normale en onvermijdelijke toestand te beschouwen, die ondermeer een zwijgakkoord noodzakelijk maakt. Natuurlijk heeft die door Van Rompuy geschetste toestand niets met ‘democratie’ te maken. Wat betekent eigenlijk Van Rompuy’s mededeling, dat de parlementsleden van de oppositie niets te zeggen hebben? De eigenlijke implicatie is: de stemmen van de burgers die voor een oppositiepartij kozen, worden de facto vernietigd. Deze burgers hebben geen enkel aandeel in het besluitvormingsproces en leven bijgevolg onder een soort maatschappelijke voogdij. En de kiezers van de meerderheidspartijen zijn er niet zoveel beter aan toe, want hùn verkozenen blijken gebonden door een regeerakkoord (door Van Rompuy een ‘porseleinwinkel’ genoemd) dat op de partijhoofdkwartieren is onderhandeld en iedere democratische legitimiteit mist. Blijkbaar kunnen de parlementsleden niet opereren als autonome individuen, voorzien van een eigen verstand en geweten. Ze hebben de gouden leiband van de partijtop rond de nek. In het parlement genomen besluiten voldoen dus niet aan de vierde vereiste van Surowiecki.

Samenvattend kunnen we stellen, dat het particratische stelsel niet enkel de menselijke waardigheid van de burgers aantast, maar dat dit systeem door zijn aard zelf leidt tot besluiten die objectief minderwaardig zijn, omdat een zeer groot gedeelte van het potentieel aan oordeelsvermogen ongebruikt wordt gelaten. Bovendien vertoont het systeem bepaalde kenmerken, die in actieve zin leiden tot eenzijdigheid in de besluitvorming. Surowiecki heeft een boek geschreven, dat collectieve besluitvorming in het algemeen betreft, en slechts terloops de politiek beroert. Maar juist door die brede kijk is het ook voor politiek geïnteresseerden zo razend interessant.


http://www.randomhouse.com/features/wisdomofcrowds/Q&A.html


(1) Term limits zijn ingevoerd in 20 Amerikaanse deelstaten, en dit gebeurde behalve in Louisiana altijd per deelstaatreferendum. In 5 staten slaagde de politieke klasse erin om via nieuwe wetten of via processen, om de volksmaatregel weer ongedaan te maken. Opiniepeilingen laten zien, dat de steun voor de maatregel bij het publiek nog toeneemt, nadat de term limit is ingevoerd. Een peiling in Arkansas (2002) gaf 75% voorstanders, terwijl het referendum in 1992 met 60% werd goedgkeurd; in Oklahoma bleken in 2001 een meerderheid van 82% (referendum in 1990: 67% pro). In oktober 2001 lanceerde Marc Morial, de populaire burgemeester van New Orleans, een referendum tegen de term limits die in deze stad bestaan. Het was zijn bedoeling om zich bij de volgende verkiezingen opnieuw kandi-daat te stellen. Morial verloor zijn referendum met een 61%/39% score. Op federaal niveau bestaat in de USA geen enkele vorm van directe besluitvorming, en het is dan ook geen wonder dat in de federale parlementen geen term limits bestaan. In 1997 mislukte een laatste poging, uitgaande van republiekeinse parlementsleden, om het principe in het Huis en de Senaat in te voeren. Sinds 1951 bestaat er wel een systeem van term limits voor de president van de USA, die slechts éénmaal kan worden herkozen. Om echt effectieve term limits te hebben zou het systeem betrekking moeten hebben op de totale carrière van een persoon: de totale tijd van alle beklede mandaten zou niet langer mogen zijn dan bijvoorbeeld tien of twaalf jaar. Zoniet ontstaat toch een klasse van beroepspolitici met particuliere belangen.

http://www.termlimits.com/

PDF versie: https://docs.google.com/a/democratie.nu/file/d/0B6Vin8ae6YqvaEhDMDlBY1ZyNWM/edit