Hoe doden we een volksbesluit?

De mogelijkheid tot directe besluitvorming door het volk werd in de grondwet van Californië opgenomen in 1911. Dat gebeurde onder druk van de zogenaamde “Progressieven”, die vonden dat het parlement van de deelstaat in verregaande mate werd gecontroleerd door machtige privégroepen, en met name door de spoorwegmaatschappijen.



Sinds 1911 kunnen Californiërs, via het verzamelen van voldoende handtekeningen onder een voorstel, een referendum afdwingen. In 34% van de gevallen blijkt dat bij de stembusgang de kiezers het voorstel ook daadwerkelijk goedkeuren.

Merkwaardig genoeg betekent dit niet dat in 34% van de gevallen het goedgekeurde voorstel ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd en geïmplementeerd. Een voorstel dat door een meerderheid van de burgers werd goedgekeurd, kan toch geheel of gedeeltelijk worden gekelderd.

Daartoe beschikt de heersende kaste over verscheidene middelen. Vooreerst kan een per referendum goedgekeurd voorstel achteraf bij de rechtbank worden aangevochten. In Californië gebeurt dit vaak, en in een aantal gevallen resulteert zo’n juridische actie in een gehele of gedeeltelijke venietiging van het goedgekeurde voorstel. In andere gevallen wordt het goedgekeurde voorstel door de staatsmacht gewoon niet uitgevoerd. Het boek Stealing the initiative behandelt het fenomeen, waarbij het particratische regime ongewenste volksbesluiten via diverse manoeuvres toch ontkracht of omzeilt. De auteurs bestudeerden de implementatie van een tiental voorstellen die in Californië per referendum door de burgers werden goedgekeurd, om te besluiten: “It is clear that government actors retain a great deal of discretion over what happens to initiatives after they pass. Given the severity of the requirements for full compliance, it is safe to assume that government actors exert at least some discretion over most winning initiatives” (p. 110). ("Het is duidelijk dat overheidsactoren een grote controle behouden over wat er met initiatieven gebeurt nadat ze zijn goedgekeurd. Gegeven de strenge vereisten voor volledige vervulling, kan men gerust aannemen dat overheidsactoren op z’n minst een zekere autonome bevoegdheid uitoefenen over de meeste gewonnen initiatieven.) De meeste volksbesluiten worden dus slechts gedeeltelijk in werkelijkheid omgezet, en in sommige gevallen blijft de uitvoering zelfs nagenoeg volledig achterwege.

Een opvallend voorbeeld is het “English only initiative” (“proposition 63”), dat Engels als de enige officiële taal van Californië wou uitroepen en in 1986 door 73,2% van de kiezers werd goedgekeurd. Toch werd het voorstel nooit uitgevoerd. Officiële verkiezingsdocumenten in San Francisco bleven meertalig (met Spaans en Chinees naast Engels). In 1987 lanceerde de Democratische Partij zelfs een wetsvoorstel dat het indienen van een klacht op basis van het goedgekeurde voorstel drastisch zou bemoeilijken. Het wetsvoorstel werd echter niet goedgekeurd, nadat tegenstanders ervan de zaak aan de grote klok hadden gehangen en de democratische partij uit vrees voor stemmenverlies bakzeil had gehaald. Een verwant initiatief is het “English only”-initiatief (“proposition 227”), dat in 1998 werd goedgekeurd met een meerderheid van 60,9% van de stemmen. In essentie voorzag dit voorstel dat een einde moest worden gesteld aan de “bilingual education” in vele openbare scholen, en dat de niet-Engelstalige kinderen (die meestal Spaans spreken) in de school een “English immersion” moesten ondergaan. In schooldistricten waar deze maatregel op brede steun rekenen kon, werd hij ook doorgevoerd. Maar op andere plaatsen had het volksinitiatief geen enkel effect. In San Francisco bijvoorbeeld stemde slechts 38,3% van de kiezers in met het voorstel, en verklaarde de hoogste verantwoordelijke van het plaatselijke openbare schoolnet doodleuk dat het voorstel niet geïmplementeerd zou worden. Het lot van voorstel 227 toont eigenlijk aan dat de wetgever zich sowieso niet met onderwijs moet inlaten.

In 1990 keurden de kiezers voorstel 140 goed. Dit voorstel voerde enerzijds “term limits” in voor parlementairen, en schroefde anderzijds ook de financiële middelen terug voor de parlementsleden tot minder dan 80% van wat voordien werd uitgegeven. De bedoeling van het volksinitiatief was om de creatie van een klasse van levenslange beroepspolitici tegen te gaan. Term limits beperken de tijd gedurende welke een persoon in een parlement kan zetelen of een uitvoerend mandaat kan bekleden. Voorstel 140 legde op dit gebied maximumtermijnen op van zes tot acht jaar. Uiteraard kan zo’n voorstel niet op de goedkeuring van de parlementsleden zelf rekenen. Het is evenwel zo goed als onmogelijk om term limits, eens ze zijn goedgekeurd, nog te omzeilen. De politieke leiders in Californië hebben zonder succes alle mogelijke rechtsmiddelen uitgeput in de hoop om de term limits terug te schroeven. De laatste gerechtelijke uitspraak viel pas in 1997. Ondertussen was de bezetting van het parlement en de topfuncties, onder de invloed van het goedgekeurde volksvoorstel, reeds helemaal vernieuwd.

De gevestigde machten hadden meer succes met hun pogingen om de financiële beperkingen terug te schroeven die door voorstel 140 werden ingevoerd. Voor de rechtbank bekwamen ze dat de door het volk goedgekeurde aftopping van de riante pensioensvoorzieningen voor toppolitici werd vernietigd. Andere beperkingen bleven voor de rechtbank behouden, maar de politieke klasse slaagde er snel in om de wet te omzeilen door boekhoudkundige verschuivingen door te voeren: “By reclassifying agencies and moving their budgets outside the realm of formal legislative spending, the legislature largely circumvented the intent behind Proposition 140’s spending limits. In doing so, they not only managed to maintain their political staffs, they also retained the services of the agencies whose funding they cut” (p. 54-55). ("Door het verschuiven van agentschappen en hun budgetten buiten de sfeer van formele publieke uitgaven, kon de wetgevende macht de intentie achter de uitgavenbeperkingen van voorstel 140 grotendeels omzeilen. Hierbij slaagden ze er niet alleen in om hun politiek personeel te behouden, maar ze behielden ook de diensten van de agentschappen waarvan ze de financiering afschaften.")

Een recent en extreem voorbeeld (niet behandeld in dit boek) van het buitengewone misprijzen dat de politieke kaste aan de dag kan leggen voor democratisch genomen besluiten, werd recent geleverd toen het Californische parlement een wet goedkeurde die het homohuwelijk in die deelstaat wou invoeren. Een referendum (“Proposition 22”) over die kwestie werd gehouden in maart 2000, en toen werd besloten (met een meerderheid van 61%) dat een huwelijk enkel kon plaatsvinden tussen een man en een vrouw. Bovendien mag in Californië een wet die per referendum is goedgekeurd, niet door het parlement opnieuw ongedaan worden gemaakt: “The Progressive reformers who introduced initiatives and referendums in California deliberately designed the process to circumvent the state legislature. They feared that if the legislature could amend or repeal initiative legislation, it would simply undo any initiatives that it (and its railroad clients) disliked. To this end, California prohibits legislators from amending, revising, rejecting, or otherwise altering laws passed by initiative, except with another popular vote” (p. 12). ("De progressieve hervormers die de volksinitiatieven en referenda invoerden in Californië, ontwierpen het proces bewust om de wetgevende macht van de staat te omzeilen. Ze vreesden dat als de wetgevende macht de initiatief-wetgeving kon amenderen of verwerpen, ze dan eenvoudigweg alle initiatieven die hen (en hun spoorwegvrienden) niet bevielen ongedaan zouden maken. Om deze reden verbiedt Californië de wetgever het amenderen, herzien, verwerpen of op een andere manier wijzigen van de wetten die door het initiatief zijn ingevoerd, behalve dan door een ander volksbesluit.") Hoewel “Proposition 22” ondubbelzinnig het homoseksuele huwelijk uitsluit, en de wet aan het parlement verbiedt om direct door het volk goedgekeurde wetten weer te vernietigen, keurde het Californische parlement toch een wet goed die het homoseksuele huwelijk toelaat. Gouverneur Schwarzenegger stelde echter zijn veto tegen deze parlementaire wet, zeggende dat de wil van het volk gerespecteerd moet worden. Uiteraard werd hij hiervoor door de tegenstanders als “uiterst rechts” gebrandmerkt. Schwarzenegger liet evenwel de mogelijkheid open dat het volksbesluit vooralsnog voor een rechtbank vernietigd kon worden. Er is terzake in de USA reeds een precedent: in Massachusetts is het homohuwelijk ingevoerd, evenwel niet door enige wetgever, maar wel door de rechtbanken.

Stealing the initiative snijdt een weinig besproken maar erg fundamentele problematiek aan. Zolang de staat in handen blijft van een politieke klasse of kaste, waarvan de belangen duidelijk tegengesteld zijn aan die van de bevolking in het algemeen, kan zelfs een goede referendumregeling niet garanderen dat de wil van de burgers ook daadwerkelijk wet wordt. Een politieke kaste teert op de samenleving als een soort kankergezwel. Net zoals een kankergezwel het aangetaste organisme dwingt om het gezwel steeds meer te voeden, dwingt ook deze kaste de samenleving om voortdurend meer macht en geld af te staan aan de kaste en aan de staat die in haar handen is. Bovendien scheidt zo’n kaste voortdurend ideologisch vergif af, om het plebs te overtuigen van de eigen morele superioriteit en hoge onmisbaarheid. De gevolgen kunnen voor een maatschappij catastrofaal zijn, getuige de absurde oorlogen uit het verleden, of de door de politiek-correcte ideologie bewerkstelligde demografische en sociale collaps en de etnische en religieuze confrontaties waarop wij nu afstevenen. Om het tij te keren, als het al niet te laat is, zijn drastische maatregelen vereist. De invoering van veralgemeende term limits, waarbij aan iedere persoon wordt verboden om in totaal meer dan bijvoorbeeld acht of tien jaar gelijk welk openbaar mandaat te bekleden, gecombineerd met een goed werkbaar recall-systeem (waarbij mandatarissen, rechters en hoge ambtenaren te allen tijde door de burgers afgezet kunnen worden), lijken mij onmisbaar te zijn om überhaupt te vermijden dat een laag van beroepspolitici ontstaat die zich als persoon met hun kaste, partij of loge gaan identificeren. Dit dient gepaard te gaan met een drastische inperking van de staatsmacht: alle mogelijke economische activiteiten, alle rechtspraak, onderwijs, cultuur, bemoeienis met religie enzovoort dienen aan de bevoegdheid van de staat en zijn dienaren te worden onttrokken. Zolang dit niet is gebeurd, zal het volksinitiatief, als het überhaupt al toegelaten wordt, steeds opnieuw worden gestolen.

Door Jos Verhulst, november 2005