3 wegen om de democratie in te voeren

Afdrukken

Democratie.Nu’s strijd voor democratische vernieuwing wordt gevoerd vanuit een coherent geheel aan ideeën. Aan het getouwtrek tussen links en rechts nemen wij liever niet deel. De oorzaak van de crisis zit véél dieper: een gebrek aan volkssoevereiniteit, een pijnlijk gebrek aan wetgevende bevoegdheid voor de burger. 

Bijgevolg moet de democratie niet worden ‘hervormd' of ‘verfijnd', maar per definitie worden ‘ingevoerd’.

We onderscheiden hiertoe een drietal wegen:

Optie 1: de wettelijke weg
Optie 2: de ‘ongrondwettelijke’ weg
Optie 3: een ruimere lezing van de grondwet

De Belgische Grondwet stelt in Art. 33: “Alle machten gaan uit van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald.

en in Art. 42 “De leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie en niet enkel degenen die hen hebben verkozen.”  

 

Nu volgen de drie opties om deze te wijzigen opdat wetgevende bevoegdheid voor de burger mogelijk wordt.

 

Optie 1: de wettelijke weg: de grondwet wordt aangepast/gemoderniseerd
Door een aantal grondwetsartikels (hier specifiek: Art. 33) ‘voor herziening vatbaar te verklaren’. Dit gebeurt traditiegewijs op het einde van de legislatuur, waarop dan logischerwijs de ontbinding van het parlement volgt.
De nieuwe, aantredende regering kan dan - indien gewenst - met een tweederde meerderheid de specifieke grondwetsartikels wijzigen. Door specifiek Art. 33 in de grondwet te wijzigen, worden bindende referenda een grondwettelijke realiteit.
Art. 33 van de Belgische Grondwet bepaalt: ‘Alle machten gaan uit van de Natie’. Maar wie of wat is de ‘natie’? Gaan in een democratie niet alle machten uit van het volk? Met andere woorden: bij de eerstvolgende grondwetswijziging dient het misleidende begrip ‘natie’ te worden vervangen door ‘het volk’, waarbij dat volk ten alle tijde rechtstreeks wetgevend werk moet kunnen verrichten.

 

Optie 2: een ‘ongrondwettelijke’ daad.
Zelfs indien de politieke klasse de grondwetsartikelen niet wil herzien (optie 1), kan men – mits enige politieke, goede wil - evenwel onmiddellijk de grondwet wijzigen. Dit vond in België al eerder plaats.
Een voorbeeld: het algemeen stemrecht werd na de eerste wereldoorlog ook ingevoerd, vooraleer de grondwet werd aangepast. Onder druk van de arbeidersbeweging en met de communistische machtsgreep in Rusland op de achtergrond voerde koning Albert 1 via de zogenaamde 'coup van Loppem' - tégen de toenmalige grondwettelijke bepalingen in! - het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht in. Ook het vrouwenstemrecht werd na de tweede wereldoorlog op ‘ongrondwettelijke wijze’ ingevoerd.

 

Optie 3: de grondwet hoeft niet eens te worden aangepast, een minder restrictieve lezing van de grondwet volstaat.
Onze grondwet hoeft het referendum helemaal niet uit te sluiten: een (direct)democratische interpretatie van de grondwet is ook mogelijk.


Cfr Het interim-verslag van de Commissie Politieke Vernieuwing, Ugent professor Vény:

"De stelling als zou de organisatie van een referendum en van een volksraadpleging ongrondwettelijk zijn, werd geopperd door de afdeling wetgeving van de Raad van State en domineert tevens de rechtsleer en rechtspraak. In de grondwet1 is voor de zogenaamde ongrondwettigheid evenwel nergens een duidelijke grondslag terug te vinden: nergens verbiedt een bepaling formeel het referendum of de volksraadpleging. Bovenvermelde redenering is gebaseerd op Art. 33 van de grondwet, maar dat artikel blijft erg vaag. Bovendien zou de ongrondwettigheid alleen maar voortvloeien uit het tweede lid van Art. 33, en dan nog in combinatie met Art. 42 van de grondwet. Zo de andere sprekers daarin een impliciet verbod menen te zien, dan komt dat doordat zij aan de grondwet een restrictieve lezing geven. Niets belet echter een ruimere lezing.


Laat ons ook niet vergeten hoe beide wetgevende kamers zonder aarzelen Art. 33, tweede lid, opzij hebben geschoven telkens wanneer het er op aan kwam internationale instellingen bevoegdheden te verlenen (terwijl de Raad van State bij verschillende gelegenheden had ingebracht dat de toewijzing van beslissingsbevoegdheden en de overdracht van nationale soevereiniteit aan internationale instanties niet met die grondwetsbepaling strookte).


Met andere woorden: de particratie heeft er geen enkele moeite mee om de nationale soevereiniteit - het hoogste goed van de burger - door te schuiven naar allerhande supranationale instanties. Maar wanneer beslissingsbevoegdheid naar de burgers moet worden doorgeschoven, blijkt de grondwet plots een bezwaar. De grondwetsartikels 33 en 42 hebben kennelijk een hoog kameleon gehalte.

David Joëts