Aantal Hits : 1374  |
1374 hits Omdat de gemiddelde
burger ondertussen wordt opgezadeld met een pakket van ongevraagde
maar wel verplicht te betalen ‘diensten’, voorspelt de Public
Choice-theorie ceteris paribus een negatief verband tussen
de grootte van het overheidsbeslag en het welbevinden van Jan Modaal.
STAATSBESLAG
EN INDIVIDUEEL WELBEVINDEN
De
samenleving beïnvloedt het menselijk welbevinden en aan de wijze
waarop dat gebeurt, werd de laatste jaren nogal wat onderzoek gewijd.
Het
is niet eenvoudig om überhaupt te omschrijven wat ‘globaal
welbevinden’ precies inhoudt. Als maat kan men de
zelfgerapporteerde mate van ‘life
satisfaction’ nemen, waarnaar
wordt gepeild in het ‘World Value
Survey’. In laatstgenoemde
bevraging beantwoordden niet minder dan 90.000 personen uit 70
landen zo’n 400 vragen, waaronder ook de kernvraag: “All
things considered, how satisfied are you with your life as a whole
these days?” (waarbij de respondenten konden antwoorden op een
schaal van 1 tot 10).
De ‘life
satisfaction’ waarnaar hier wordt gepolst, verschilt blijkbaar
van wat doorgaans ‘geluk’ (‘happiness’) wordt genoemd,
want de correlatie tussen beide begrippen blijkt bij bevragingen
slechts 0.44 te belopen. De reden voor dit verschil is ver van
duidelijk. Het is bijvoorbeeld best mogelijk dat iemand een weinig
gelukkig leven leidt, dat ondanks de moeilijkheden en tegenslagen in
diepere zin toch als vervuld en moreel bevredigend wordt beschouwd.
Denkend aan de Maslow-piramide kan men bijvoorbeeld vermoeden, dat
‘een gelukkig leven’ eerder de verzadiging betreft van de eigen
behoeften, terwijl ‘een bevredigend leven’ in ruimere mate
refereert naar Maslows meta-behoeften (die een morele dimensie
hebben). Welke preciese inhoud respondenten geven aan ‘life
satisfaction’ blijft een moeilijk probleem.
Deze onduidelijkheid
belet niet dat de statistische samenhang kan onderzocht worden tussen
de gerapporteerde ‘life satisfaction’ en allerhande
politieke en maatschappelijke factoren, en dat is precies wat
Christian Bjørnskov, Axel Dreher en Justina Fischer deden in
enkele recente artikels.
De impact van ‘big
government’
De drie onderzoekers
publiceerden vooreerst een belangwekkende studie in Public Choice
(“The bigger the better? Evidence of the effect of government
size on life satisfaction around the world”; vol.130,
p.267-292, PC 2007) over de impact van de staatsuitgaven op het
welbevinden (dwz ‘life satisfaction’) van de onderhorigen.
Daarnaast is er ook nog een omvangrijke publicatie van hetzelfde
drietal ter perse, in het tijdschrift Social Choice and Welfare
(“Cross-country determinants of life satisfaction: exploring
different determinants across groups in society” SCW 2007). Dit
laatste artikel kreeg nogal wat aandacht in de pers, omwille van de
melding dat mensen met een linkse politieke overtuiging gemiddeld een
lagere ‘life satisfaction’ rapporteren dan mensen met
rechtse opvattingen. Heel wat effecten worden in deze studies
behandeld, maar ik ga hier enkel in op de gevolgen van het
staatsbeslag op het individueel welbevinden.
http://ideas.repec.org/p/eth/wpswif/05-44.html
http://ideas.repec.org/p/kof/wpskof/06-145.html
http://www.spiegel.de/wissenschaft/mensch/0,1518,507558,00.html
De vraag naar het effect
van ‘big government’ op het welbevinden van de individuele mens
is niet zonder belang, want in West-Europa zwol het overheidsbeslag
tijdens de laatste dertig jaar van de twintigste eeuw drastisch aan,
van ongeveer 30% naar pakweg 50%. Men merkt deze groei aan de
verschijning van allerhande voorheen onbestaande ‘diensten’, die
door de staat ongevraagd worden afgeleverd. Vaak vallen de
kleinigheden het meest op. Zo bereikten mij begin oktober twee
exemplaren van het propagandaboekje ‘Antwerpen, werf van de
eeuw’, afgescheiden door het Antwerpse stadsbestuur (met op de
kaft de collectivistische slogan: ‘ ’t Stad is van iedereen’).
En in onze postbus belanden sinds vele jaren één of
meerdere exemplaren van het eveneens ongevraagde ministeriële
propagandablad ‘Klasse’. Voortdurend worden nieuwe
voortbrengselen van de staat op de stoep gedeponeerd: ik word
ondertussen beschut tegen sekten, tegen overgewicht, tegen gebrek aan
‘kleur’ op de ‘werkvloer’, tegen borstkanker, tegen
homofobie, xenofobie en islamofobie, tegen koolzuurgas, tegen
sigarettenrook, tegen gebrek aan hedendaagse kunstuitingen en tegen
komkommers of bananen die te veel of te weinig kromming vertonen. Dat
zijn staatsweldaden waarvan vorige generaties verstoken bleven en men
wordt geacht alles in dank te aanvaarden. Natuurlijk is dit soort
‘dienstverlening’ niet kosteloos. Het benodigde geld wordt door
de ‘overheid’ eerst met stil geweld (langs fiscale weg) afgepakt,
en vervolgens krijgt men dan dit soort produkten toegeleverd. Deze
nepdiensten niet kopen is onmogelijk, en wie de gang van zaken niet
leuk vindt, geldt als ‘verzuurd’.
Hoe is het mogelijk, dat
deze parasitaire activiteiten voortdurend toenemen? De ‘Public
Choice’-theorie biedt hierop een plausibel antwoord. In de
woorden van Bjørnskov en co: “...special interest groups
benefit from particular government actions – at the cost, however,
of overall efficiency and well-being. As the benefits for each
individual of a small lobbying group special interest group are huge,
whereas the costs to the average member of society are rather small,
government sizes become larger and larger as politicans maximize
their re-election probabilities. Consequently, even if a huge
majority of voters favors a smaller state sector, resistance against
each particular cut in public spending is stronger than support,
preventing a reduction in government size” (PC 2007). Wanneer
bijvoorbeeld een groep lobbyisten bij de minister van cultuur
subsidiëring bepleit van één of andere
kunstmanifestatie, dan is de kans groot dat die lobby haar slag
thuishaalt, omdat het handvol individuen dat bij de subsidie grote
baat heeft voluit in actie komt, terwijl de gemiddelde
belastingbetaler door die subsidie slechts enkele luttele centen aan
belastingsgeld zal missen, zodat hij geen moeite doet om weerstand te
bieden. Op die manier verliest diezelfde belastingbetaler wel op
sluipende wijze cent na cent na cent, wat mettertijd resulteert in
een substantieel verlies. Bovendien leidt dit mechanisme tot het
ontstaan van een soort symbiose tussen enerzijds de politieke kaste
in de engere zin, en anderzijds een met die kaste geassocieerde
sociale laag van personen, instanties en organisaties die in wezen
leeft van subsidies en transfers. Deze onzalige coalitie poogt
uiteraard door ideologische controle de rentestroom te bestendigen en
verder uit te breiden. Men zal bijvoorbeeld staatsdiefstal als een
oefening in ‘solidariteit’ afschilderen, waartegen enkel
asocialen en verbitterden bezwaar kunnen hebben. Omdat de gemiddelde
burger ondertussen wordt opgezadeld met een pakket van ongevraagde
maar wel verplicht te betalen ‘diensten’, voorspelt de Public
Choice-theorie ceteris paribus een negatief verband tussen
de grootte van het overheidsbeslag en het welbevinden van Jan Modaal.
Blijkt dit ook uit de
verwerking van de gegevens van het ‘World Value Survey’?
Bjørnskov en co stelden ondermeer het volgende vast:
(1) De levenskwaliteit,
gemeten als zelf gerapporteerde ‘life satisfaction’ daalt
over het algemeen naarmate het overheidsbeslag toeneemt. Maar
bovendien treedt nog een meer specifiek effect op: de lagere en
middenste inkomensklassen worden door de staatsinterventie zwaarder
getroffen dan de hogere inkomensklasse: “Our findings clearly
support the view forwarded by public choice theory. Basically, life
satisfaction decreases with government consumption spending”
(PC 2007). “... more government consumption robustly decreases
life satisfaction in (...) the low and middle income groups (...).
As regards personal income, it is possible that people with high
incomes are systematically less affected by government consumption
decisions because a relatively larger share of their income remains
when subtracting fixed costs of housing, food, etc.” (SCW
2007). Met andere woorden: de levenskwaliteit van iemand met een zeer
hoog inkomen die ten belope van 1000 euro wordt belast, zal minder
dalen dan de levenskwaliteit van iemand met een gemiddeld inkomen die
voor 200 euro wordt belast. Het marginale nut van 200 euro in handen
van iemand met een gemiddeld inkomen is immers groter dan het
marginale nut van 1000 euro in handen van iemand met een topinkomen,
en dit verschil wordt blijkbaar niet gecompenseerd door de
‘herverdeling’ in de vorm van allerhande twijfelachtige diensten
die de staat aflevert als tegenprestatie voor het afgepakte geld.
Daarnaast kan men natuurlijk ook vermoeden, dat hogere inkomens op
efficiëntere wijze inbeslagname door de staat kunnen ontwijken.
(2) Wanneer het
overheidsbeslag door een links georiënteerde regering
plaatsvindt, is de negatieve impact groter en worden bepaalde
groepen, met name de lagere en gemiddelde inkomens én de
mannen, extra zwaar getroffen door het toenemend overheidsbeslag.
“Basically, life satisfaction decreases with government
consumption spending. For three subgroups – low and middle income
earners and men – government consumption is even more detrimental
to life satisfaction the more governments have, on average, been
left-wing in the preceding decade” (PC 2007) “... government
consumption exerts a stronger negative influence in countries with a
leftwing government. (...) As one explanation,
ideology-specific differences on government spending might be
reflected in the mix of government activities, deteriorating voters’
well-being. For example, leftwing governments might support labor
unions in exchange for political support, which, in exchange, demand
government spending tailored to their own interests, potentially
harmful to the life satisfaction of the median voter [hier denkt
men spontaan aan de ‘red de solidariteit’-actie]. In addition,
leftwing political traditions of high government spending might be
detrimental to people’s life satisfaction by too excessively
restraining voters’ free choice of consumption in everyday life
(for a given size of government consumption)” (PC 2007).
Het is momenteel
onduidelijk waar het bijkomend negatief effect van een
linksgeoriënteerd staatsverbruik precies vandaan komt. Mijn
persoonlijk vermoeden luidt dat linkse heersers over het algemeen de
neiging hebben om veel dieper in de intimiteit van het individuele
leven in te grijpen, omdat ze in hogere mate de neiging hebben om het
individu zelf te reduceren tot staatsbezit. Wanneer bijvoorbeeld een
burgemeester zijn brandweermannen toespreekt over de noodzaak van
meer ‘diversiteit’ binnen hun korps, dan degradeert hij door die
typisch linkse benadering zijn onderhorigen, omdat die blijkbaar
enkel en alleen op basis van hun etniciteit en geslacht als een
onbevredigend, want onvoldoende ‘divers’ zootje worden
voorgesteld. Deze typisch linkse reductie van het menselijk individu
tot een vertegenwoordiger van één of andere biologische
of sociologische categorie is vernederend en degraderend voor de
betrokkenen en van typisch linkse staatsuitgaven, verricht om
bijvoorbeeld meer ‘diversiteit’ op te leggen, kan daarom worden
verwacht dat ze op bijzonder ingrijpende wijze het welbevinden van de
burgers aantasten. Dit alles zijn vooralsnog enkel speculaties, maar
in elk geval moet er een typisch ‘links’ element voorhanden zijn
dat de algemene schadelijkheid van staatsconsumptie nog bijkomend
opdrijft. Mogelijk komt er de komende jaren meer duidelijkheid.
Christian Bjørnskov heeft me in elk geval laten weten, dat het
onderzoek wordt voortgezet.
|