De rechtstreekse financiering van politieke partijen door de staat is
een recent verschijnsel. In Europa werd ze pas eind de jaren 1950
ingevoerd (1959 in Duitsland). Wellicht voor het eerst in de
geschiedenis was Zuid-Amerika een voorloper inzake 'democratische'
hervormingen: in Costa Rica en Argentinië bestond al staatssteun voor
partijen. Vandaag is Zwitserland nog een van de enige Europese landen
waar de partijen zichzelf niet uit de staatskas kunnen financieren.
De
Zwitserse partijen moeten dus zelf aan de nodige fondsen zien te
geraken. Daarvoor kloppen ze voornamelijk aan bij de eigen leden en
mandatarissen, bij privé-sympathisanten en bij ondernemingen. De
Zwitserse christen-democraten (CVP) en liberalen (FDP) krijgen vooral
steun uit het bedrijfsleven, de sociaal-democraten (SP) en de Groenen
moeten het hebben van de bijdragen van leden en mandatarissen, en ook
steeds meer van fundraising. Daarnaast zijn privé-giften voor alle
partijen een belangrijke bron van inkomsten. (1)
De jaarlijkse
inkomsten van de CVP en de FDP bedragen zo'n 3 miljoen Zwitserse frank
(€ 2 miljoen). De SP heeft een omzet van 4,3 miljoen frank (€ 2,85
miljoen), Die Grünen van 1 miljoen frank (€ 0.66 miljoen). Van de SVP
(Zwitserse Volkspartij) zijn geen gegevens bekend, de schattingen van
politieke tegenstanders lopen op tot 15 miljoen frank (€ 10 miljoen; de
schatrijke Blocher financiert de partij grotendeels zelf). (2) (3)
In
Zwitserland bestaat geen controle op de partij-inkomsten en bepalen de
partijen zelf welke informatie ze vrijgeven. Dit gebrek aan
transparantie is de 'prijs' voor het ontbreken van partijfinanciering
uit de staatsruif.
De enige
indirecte
vormen van staatsfinanciering zijn de (pas in maart 2009 ingevoerde)
fiscale aftrekbaarheid van privé-giften aan partijen en een jaarlijkse
'fractiebijdrage' voor het secretariaatswerk van de fracties. Deze
bedraagt 94 500 frank (€ 62 400) per fractie en 17 500 frank (€ 11 500)
per verkozene. (4)
De financiële en economische crisis doet nu
ook de Zwitserse partijen pijn. De perikelen rond de staatssteun aan
grootbank UBS brachten dit onder de aandacht: nadat de FDP bekend
maakte dat ze dit jaar geen geld van UBS zou aanvaarden, zette de bank
op haar beurt de financiële steun aan alle partijen stop (volgens
bronnen in de FDP en CVP gaat het om een paar honderdduizend franken
per jaar).
Waarom stemmen de Zwitserse politici niet gewoon een
wet om zichzelf de verhoopte fondsen uit de staatskas te schenken,
zoals bvb. in België gebeurde? Spontaan zou men de verklaring in de
Zwitserse referendumcultuur kunnen zoeken: burgers kunnen immers een
Referendum organiseren tegen onpopulaire wetten. Maar de ware reden zou
ook bij twee andere Helvetische tradities kunnen liggen: regionalisme
en vrijwilligerswerk.
Zoals ongeveer alles in het Alpenland zijn
ook de Zwitserse partijen sterk federaal gestructureerd: de
gemeentelijke en kantonnale afdelingen vormen de ware machtsbasis in de
partijen (nogal wiedes, want ze financieren behalve zichzelf ook in
grote mate de nationale kas). Niet zelden nemen ze openlijk andere
standpunten in dan hun eigen nationale afdeling. Het gebeurt zelfs dat
het centrale partijorgaan de ledenlijsten van locale partijafdelingen
niet te pakken krijgt. De locale en kantonnale partijgeledingen zijn
van oudsher het sterkst tegen de invoering van staatsfinanciering
gekant.
Naast het regionalisme is er nog de traditie van
Milizarbeit.
Dat is de Zwitserse term voor 'vrijwilligerswerk in openbare functies'.
Volgens het Zwitsers bureau voor statistiek deed de gemiddelde Zwitser
in 2001 maar liefst drie uur per maand vrijwilligerswerk (5). Ook het
werk voor politieke partijen valt onder de
Miliz: de meeste partijmedewerkers zijn vrijwilligers, zelfs in leidinggevende posities. De voorstelling van
politiek als beroep is aan de doorsnee-Zwitser niet besteed.
De
hier kort geschetste Zwitserse partijcultuur heeft ertoe geleid dat
Zwitserland geen professionele partijbureaucratieën kent, geen
miljoenen belastinggeld verslindende kiescampagnes, geen met
loonslaafjes gevuld beroepsparlement (het Zwitserse
Milizparlement
vergadert slechts halftijds, zodat de verkozenen hun beroep kunnen
blijven uitoefenen). Maar het belangrijkste verschil met onze
Particratie is misschien wel dit: de Zwitserse partijen maken deel uit
van de civiele maatschappij. In België daarentegen zijn de partijen
'politieke parastatalen geworden, die zichzelf geld uitbetalen via de
federale en de regionale overheden' (Herman De Croo in
Knack, 29 april 2009).
Het
Zwitserse voorbeeld bewijst dat er wel degelijk alternatieven bestaan
voor staatsdotaties aan partijen. Het roept ook een hele resem vragen
op bij de argumenten van de voorstanders van partijdotaties. Leidt de
zelfbedruiping van partijen onvermijdelijk tot smeergeldschandalen,
zwarte kassen en andere vormen van fraude, zoals politici in
particratieën doorgaans beweren? Indien ja, is politieke fraude in
Zwitserland dan werkelijk zo verbreid? Of beschikt Zwitserland over
'institutionele remmen' om de omkoping van partijen in te perken? (6)
Hoe weegt de maatschappelijke kost van
mogelijke smeergeldfraude op tegen de
zekere kost
(meer dan 53 miljoen euro per jaar, trend: stijgend) van de bij ons
bestaande partijfinanciering? In welke mate sluiten staatsdotaties
illegale circuits van partijfinanciering uit?
Zwitserland is
voorzeker geen paradijs op aarde, maar het is wel ontegensprekelijk
democratischer, stabieler en welvarender dan België. Tegelijk bestaan
tussen beide landen heel wat formele gelijkenissen. Wordt het niet
stilaan tijd voor een serieuze
benchmark-oefening?
_________
(1) Dit stuk is (deels) gebaseerd op een artikel over de financiële moeilijkheden van de Zwitserse partijen in de
Neue Zürcher Zeitung (13 mei 2009) en op het voortreffelijke werk
Schweizerische Demokratie van Wolf Linder, Haupt Verlag, Bern, 2005.
(3)
Vergelijk dit met de Vlaamse partijen: in 2008 haalden CD&V/N-VA
10,6 miljoen euro belastinggeld binnen, Open VLD 7,2 miljoen, sp.a 6,4
miljoen, Groen! 2,3 miljoen (bron: De Tijd, 9 mei 2009). Deze inkomsten
zijn goed voor 'meer dan 75 % procent' van de inkomsten van de partijen
(Bart Maddens in Knack, 29 april 2009). Nog dit achtergrondweetje:
volgens een recente OESO-studie bedraagt de loonwig voor een
alleenstaande in België 56,0 % (de nr. 1 van de wereld, trend
stijgend), in Zwitserland 29,5 % (trend dalend).
(4) Zie ook het online toegankelijke
Parlamentsressourcengesetz.
(5) Bundesamt für Statistik (2001) : Freiwilligenarbeit in der Schweiz, gecit. in Linder, p. 70.
(6) Ik denk niet alleen aan het referendum, maar ook bvb. aan de
concordantiedemocratie:
alle grote Zwitserse partijen vormen - volgens een vaste verdeelsleutel
- samen de regering van zeven ministers en zijn dus bij alle
regeringsbeslissingen betrokken. Bovendien zijn, zoals al werd
aangehaald, Zwitserse verkozenen voor hun broodwinning niet uitsluitend
van hun politiek mandaat (en dus van hun partij) afhankelijk, zodat de
politieke cultuur veel minder te lijden heeft onder de pest van de
partijtucht (dit typische bijverschijnsel van
meerderheid-oppositie-systemen is in Zwitserland overigens expliciet
verboden (
art. 161 grondwet)). Hoe kan een 'geldsmeerder' in zo'n systeem nog
in alle stilte een meerderheidsbeslissing afkopen, vooral als het volk elke beslissing van het parlement achteraf ongedaan kan maken?