Aantal Hits : 1569  |
1569 hits
Het voorbeeld van één of andere agressieveling, die iemand afdreigt op diens stoep, is een excellent voorbeeld van een situatie, die kan ingeroepen worden om tegen het vrije woord te pleiten. We onderzoeken dit gedetaieerder.
Het Vrije Woord is per definitie volledig vrij. Net zoals een vrouw
niet tot op zekere hoogte zwanger kan zijn, of een overledene enigszins
dood, kan het spreekrecht relatief vrij zijn. In al deze gevallen
hebben we te doen met een binaire situatie: iets is het geval, of niet,
en daartussen bestaan geen schakeringen. In het geval van het vrije
woord gaat het om de vraag, of er al dan niet een autoriteit boven de
individuele mens mag staan, die kan bepalen wat het individu mag horen,
en wat hij mag zeggen. Van zodra er ook maar één beperking is
ingevoerd, is het vrije spreekrecht volledig afgevoerd. Alles wat men
dan nog mag zeggen of beluisteren wordt dan een gunst, toegestaan door
diegene die macht heeft over het individu. Het individu komt dan
terecht in een semantische zandbak, waarvan een voogd de grenzen
vastlegt. Van belang zijn niet de afmetingen, maar het bestaan zelf van
de zandbak.
Vrij spreekrecht is tegelijk een conditio sine qua non voor iedere vorm
van Democratie. Dit ziet men onmiddellijk wanneer men de beeldvorming
bekijkt omtrent de afschaffing van een censuurwet. Veronderstel dat
iemand in België de holocaust-censuurwet zou willen afschaffen. De
discussie hierover zou direct gehypothekeerd zijn omdat over het
voorwerp zelf van de censuurwet niet vrij kan worden gesproken. Men kan
bijvoorbeeld niet zeggen, of toch niet te nadrukkelijk, dat zo’n
censuurwet de productie van een objectief historisch beeld betreffende
de holocaust in de weg staat, want dan betwijfelt men de correctheid
van het door de censuurwet beschermde historische beeld, zodat men zelf
strafbaar wordt. Dezelfde perversiteit doet zich voor bij vervolging:
wanneer de beklaagde voor zijn verdediging elementen wil aanvoeren die
ingaan tegen de door de censuurwet beschermde opvatting, dan begaat hij
meteen een nieuwe overtreding. De praktijk van de Duitse en Franse
‘rechtspraak’ illustreert zonneklaar, dat zulks niet enkel theorie is
maar ook bittere realiteit. Censuurwetten zijn dus logisch
onverenigbaar met democratie, want democratie impliceert vrijheid van
debat. En censuurwetten zijn logisch onverenigbaar met billijke
rechtspraak, omdat ze het beroep van de verdediging op bepaalde
rationele overwegingen a priori uitsluiten.
De argumenten die tegen het Vrije Woord worden aangevoerd behoren
standaard tot twee varianten. Dit kan geïllustreerd worden door het
volgende bericht, dat ik van één van mijn correspondenten ontving na
een artikel:
“Ik heb begrip voor uw argument om oproepen tot geweld toe te
laten b.v. tegenover gewelddadige regimes. Maar wanneer iemand oproept
en mij bedreigt om mij bij het verlaten van mijn huis een kopje kleiner
te maken, dan ben ik toch weldegelijk beknot in mijn fysieke vrijheid
om me van plaats A naar B te begeven? Je kan uiteraard inroepen dat ik
me nog steeds kan verplaatsen, zij het met de nodige angst, en dan
claimen dat zonder angst leven geen mensenrecht is.Maar toch, lijkt
dergelijke persoonlijke bedreiging m.i. heel dicht aan te leunen bij
een gesproken daad, zeker wanneer de angst dat diegene die ze
uitspreekt reëel is dat hij zijn dreigement ook in de praktijk
uitbrengt.
Als je zin en tijd hebt, laat me dan eens weten hoe je dit ziet”.
Het voorbeeld van één of andere agressieveling, die iemand afdreigt op
diens stoep, is een excellent voorbeeld van een situatie, die kan
ingeroepen worden om tegen het vrije woord te pleiten. Ik heb aan dit
soort situaties duidelijk te weinig aandacht geschonken en maak van
bovengeciteerde opmerking gebruik om dit recht te zetten.
Het Vrije Woord en forums
Het vrije spreekrecht is eigenlijk het recht van ieder afzonderlijk
mens, om baas te zijn in eigen hoofd, en het omvat dan ook het recht om
desgewenst niet te luisteren naar een kandidaat-spreker. Niemand heeft
het recht om het hoofd van iemand anders vol te praten zonder
toestemming van de betrokkene. Het Vrije Woord is een activiteit die
zich afspeelt tussen (minstens) twee betrokkenen die met deze
activiteit vrij moeten instemmen. Die instemming kunnen ze laten
blijken door zich naar een geëigend forum te begeven. Die forums
moeten vrij kunnen opgericht worden maar wel zo, dat zij ook door
niet-geïnteresseerden zonder kosten kunnen ontweken worden. Het is niet
omdat er inzake inhoud geen beperking mag zijn op het vrije woord, dat
er geen beperking zou mogen zijn op de plaats waar wordt gesproken.
Integendeel, plaatsbeperkingen zijn onvermijdelijk om het recht op
niet-luisteren te waarborgen. Daarom is bijvoorbeeld de straat over het
algemeen een weinig geschikte drager voor massaforums. Het primair doel
van de straat is immers het aanbieden van verplaatsingsmogelijkheid.
Indien de straat tegelijk als massaforum wordt gebruikt, bijvoorbeeld
om te betogen of om reclame te maken, dan brengt men het recht op
niet-luisteren van weggebruikers in het gedrang. Daarentegen is de
stoep vaak een heel geschikte plek voor een tijdelijk forumpje met zijn
tweetjes. Men merkt een bekende op, creëert ter plekke een klein
forumpje en de koetjes en kalfjes passeren de revue. Forums kunnen
groot of klein, publiek of privaat zijn, en de stichters van private
forums kunnen allerhande reglementen vastleggen. Voor
niet-geïnteresseerden en buitenstaanders is slechts van belang, dat zij
het forum kosteloos en moeiteloos kunnen ontwijken.
Aan deze laatste voorwaarde is niet voldaan in het voorbeeld dat door
mijn correspondent werd aangehaald. Wanneer iemand mij bij mijn huis
opwacht om mij te bedreigen, dan schendt de spreker om te beginnen al
mijn recht op niet-luisteren. Hij betrekt me tegen mijn wil bij een
forum waarvoor ik geen belangstelling heb. Wanneer de spreker wenst te
dreigen, dan moet hij dit minstens doen op een geëigend forum. Nogal
wat argumenten tegen het vrije woord omvatten zo’n element van
ongeoorloofde forumpraktijken. Niet wat gezegd wordt, maar waar het
gezegd wordt, levert dan moeilijkheden op.
Uitingen van intentie als gesproken daad
Laat ons zeggen dat iemand een webstek creëert en mij vanaf die stek
met de dood bedreigt. Dit forum kan ik kosteloos ontwijken. Niettemin
zal ik als betrokkene hoogst waarschijnlijk, via derden, lucht krijgen
van de dreiging. Die dreiging bedrukt mij in twee opzichten, die
zorgvuldig moeten worden onderscheiden.
Ten eerste levert de dreiging psychisch onbehagen op. Dit hoeft echter
geen bezwaar te zijn, want ik heb geen a priori recht op psychisch
welbehagen. Wanneer ik een diepgelovige mohammedaan ben, dan
veroorzaakt de aanblik van een mohammedcartoon bij mij net zo goed
psychisch onbehagen. Maar daaruit volgt niet dat het cartoon moet
worden verboden. Ik heb geen recht om van de anderen een gedrag te
verlangen, dat bij mijzelf aangename psychische stemmingen teweegbrengt.
Ten tweede levert de dreiging materiële kosten op. Met de dreiging
verschijnt in mijn materiële omgeving een nieuwe risicofactor, die ik
bij de bepaling van mijn gedrag moet verrekenen. Het wordt riskanter om
buiten te komen. Mijn bewegingsvrijheid is beperkt. Ik moet misschien
nieuwe sloten laten plaatsen. Het mohammedcartoon veroorzaakt bij de
islamiet geen materiële kosten, maar de doodsbedreiging zadelt de
bedreigde wel op met een materieel probleem.
Ik heb vroeger reeds het onderscheid gemaakt tussen het Vrije Woord en
de ‘gesproken daad’. Wat ik onvoldoende heb gedaan, is dit onderscheid
toepassen op het specifieke domein van bedreigingen. Dat is duidelijk
een serieuze lacune, die moet worden opgevuld.
De ratio van het Vrije Woord berust vooreerst op de overweging, dat
tussen het woord van de spreker en de daad van de toehoorder, zich
normaliter het oordeelsvermogen en het geweten van de toehoorder
bevindt. De toerekeningsvatbare toehoorder beschikt per definitie over
verstand en geweten, en de causale keten die leidt tot de daad van de
toehoorder begint bij het vrije wilsbesluit van deze laatste. Dit vrije
wilsbesluit is een scheppende act, voorbij dewelke de causale keten
niet verder kan worden gevolgd. Iedere beperking van het vrije woord
wegens ‘aanzetten tot haat’ of ‘Volksverhetzung’ en dies meer is daarom
per definitie uit den boze. Verder berust de ratio van het Vrije Woord
op de overweging, dat er geen recht bestaat om in geestelijke,
semantische of andere niet-materiële zin niet te worden ‘gekwetst’. Men
heeft geen recht op respectvolle commentaren of op het achterwege
blijven van ‘beledigingen’. Uitlatingen of meningsverschillen als
zodanig hebben geen impact op de materiële wereld, maar bevinden zich
in een mentale sfeer, afgegrensd van de materiële wereld door het
bewustzijn van toerekeningsvatbare toehoorders, die over geweten
beschikken en over verstand. De daden die deze toerekeningsvatbare
toehoorders verrichten in de materiële sfeer, kunnen nooit als het
gevolg worden opgevat van de opgevangen meningsuitingen, doch vinden
hun oorsprong in het vrije wilsbesluit van de toehoorder, dat gezien de
toerekeningsvatbaarheid per definitie als een scheppende act moet
worden begrepen.
Op dit punt dient een essentieel onderscheid ingevoerd te worden. Laat
ik de materiële productie van een string woorden een ‘zegsel’ noemen.
Alle uitlatingen of meningsuitingen verschijnen als zegsel, maar niet
alle zegsels kunnen beschouwd worden als meningsuiting. Er bestaan
zegsels waarvan een directe materiêle werking uitgaat in de zin dat ze
leiden tot handelingen van toehoorders, zonder dat aan die handelingen
een vrij wilsbesluit ten grondslag ligt. Die zegsels zijn niet van de
materiële wereld afgeschermd door het bewustzijn, de rede en het
geweten van de toehoorders. Ik noem ze ‘gesproken daden’.
Het klassieke voorbeeld van een gesproken daad is het moedwillig ten
onrechte slaken van de kreet ‘Brand!’ is een volle zaal. De kreet
‘Brand!’ staat eigenlijk gelijk met een volautomatisch afgegeven
alarmsignaal, waarop iedereen om dringende reden en zonder verder
onderzoek reageert met ontruiming en vlucht. Tussen dit feitelijk
gevolg en de uitspraak zit geen moment, waar het individueel
oordeelsvermogen de zaak kan afwegen. Er wordt geen gewetenskeuze
gemaakt; de afloop is automatisch. Daarom is het roepen van deze kreet
een gesproken daad.
Er kunnen gemakkelijk andere voorbeelden gegeven worden. Wanneer iemand
compleet is verdwaald, en dan toch een passant treft waaraan de weg
wordt gevraagd, dan is de wegbeschrijving die laatstgenoemde opgeeft te
beschouwen als een gesproken daad. De verdwaalde kan immers niet anders
dan zich richten op die wegbeschrijving. Wanneer een medicus een
medicatieschema meedeelt aan de permanente verzorger van een zwaar
zieke, dan brengt hij ook een gesproken daad voort. Eigen aan dit soort
gevallen is, dat zowel de spreker als de toehoorder weten, dat de
toehoorder niet anders kan dan zich gedragen conform de mededeling van
de spreker, zodat er wel degelijk sprake is van een doorlopende causale
lijn van de daad van de toehoorder terug naar het woord van de spreker,
terwijl tegelijk de spreker zich ook bewust is van deze stand van
zaken.
Hoe staat het nu met het uitspreken van een bedreiging? We hebben
opgemerkt dat de dreiging voor de bedreigde neerkomt op de verschijning
van een nieuwe materiële risicofactor, die materiële gevolgen heeft en
materiële kosten teweegbrengt. De bedreiging is dus een gesproken daad.
Op dit punt moet natuurlijk een onderscheid gemaakt worden tussen
dreiging tot het stellen van en legitieme daad versus dreiging tot het
stellen van een illegitieme daad. Een dreiging met een economische
boycot bijvoorbeeld kan niet illegitiem zijn, omdat koop of verkoop per
definitie vrij horen te zijn. Men is dus ook vrij om uit te spreken,
dat men onder bepaalde voorwaarden niet wenst te kopen of te verkopen,
en men is ook vrij om anderen tot dezelfde legitieme handelswijze op te
roepen. Tegen dit soort bedreigingen lijkt geen bezwaar, ook al kunnen
ze hard aankomen en als ‘economisch geweld’ worden betiteld.
Fundamenteel anders staat het met bijvoorbeeld een doodsbedreiging. Ik
heb geen natuurlijk recht op welbepaalde economische transacties met
een ander, want de economische transactie dient te berusten op de vrije
toestemming van beide partijen. Een dreiging met een legitiem
actiemiddel is een gesproken daad, doch het is een legitieme gesproken
daad. Maar ik heb zonder meer het volle natuurlijke recht op mijn eigen
leven. Daarom is een doodsbedreiging aan mijn adres een illegitieme
gesproken daad.
Hoe kan men in een vrije samenleving afrekenen met een illegitieme
dreiging? De schade die specifiek door de dreiging wordt veroorzaakt
hangt samen met de onbekendheid van de ware intentie van de dreiger.
Het is mogelijk dat de dreiger helemaal niet van plan is om enig geweld
te plegen. Hij beseft echter dat de bedreigde dit niet weet en wil druk
creëren op basis van deze onwetendheid. Het is ook mogelijk dat de
dreiging gemeend is. Het is dus de zaak van het gemenebest, om
klaarheid te scheppen inzake deze intentie. De bedreigde heeft recht op
inzage in de aard van de dreiging: is ze gemeend of niet? Indien de
dreiger laat weten dat de dreiging niet gemeend was, dan is de dreiging
daardoor afgevoerd en dient enkel de schade (bv. voor de interventie en
eventueel reeds genomen veiligheidsmaatregelen) vergoed. Is de dreiging
wel gemeend, of blijft er ernstige onzekerheid, dan moet de dreiger
natuurlijk worden opgesloten of anderzins in de onmogelijkheid worden
gesteld om zijn dreigement uit te voeren.
Geweld en staat
De politiek correcte theorie in verband met de staat luidt, dat deze
instelling over een geweldmonopolie beschikt, toegekend op basis van
één of ander ‘sociaal contract’, en dat in ruil hiervoor de staat ook
belast is met en reeks uitzonderlijke plichten, zoals bijvoorbeeld de
plicht tot gelijke behandeling van alle burgers. Deze opvatting vecht
ik aan. Er bestaat helemaal geen sociaal contract waarin ik op basis
van vrije keuze met de staat ben overeengekomen, om zonder reëel recht
op zelfverdediging door het leven te gaan. Wanneer de staat het
monopolie in handen heeft op geweld, en wanneer bovendien oproepen tot
geweld aan het adres van die monopolist buiten de wet zijn gesteld, dan
ligt de weg vierkant open voor uitbuiting en dictatuur. Die uitbuiting
en dictatuur zien we ook rondom ons. We hoeven niet verder te kijken
dan de eigen grenzen. De overvette en onefficiënt werkende Belgische
staat verplicht iedere productieve burger om verscheidene maanden per
jaar voltijds voor die staat te werken, ter bekostiging van de
verspillingen, sociale maatregelen, transfers en andere oefeningen in
‘solidariteit’ die worden opgelegd door diegenen die de staat in handen
hebben. Deze brutale realiteit is natuurlijk ideologisch toegedekt, zo
goed en zo kwaad als het kan. Het is immers leuker wegdromen voor de
slaven wanneer ze hun slavernij niet opmerken, en het werkt handiger
voor de slavendrijver wanneer de slaven zich tam gedragen. Maar achter
deze ideologische mistbank zit het gewelddadige apparaat van de staat,
waarmee ieder individu in aanraking komt die zelfs maar een tiende van
de ‘verschuldigde’ belastingen durft achterhouden. Dat zwarte schaap
zal worden opgesloten, zijn gezin zal worden uiteengejaagd, en zijn
huis zal door de staat worden leeggeplunderd, alles in naam van de
‘solidariteit’ en alles in toepassing van het geweldmonopolie van de
staat. Van deze hele wantoestand is het verbod om op te roepen tot
geweld tegen de staat structureel het laatste sluitstuk.
Er zijn geen argumenten te vinden ter verantwoording van dit
spreekverbod. Iemand die door een gewelddadige organisatie wordt
onderdrukt en geplunderd, heeft het volle natuurlijke recht tot
opstand, en voortvloeiend daaruit ook het volle natuurlijke recht om
tot opstand op te roepen. Het probleem is hier niet het vrije woord,
maar het feit dat burger zich geplaatst ziet tegenover een gewapende
organisatie die hem berooft. Alleen van een staat of beter een
gemenebest waartegen het structureel geen zin kan hebben om op te
roepen tot geweld, omdat men zelf reeds dit gemenebest is, kan het
bestaan ten gronde verantwoord worden. Men kan zelf enkel het
gemenebest zijn onder twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat het
gemenebest zich slechts bezighoudt met regelingen op levensdomeinen,
waarop de individuen de facto als gelijken kunnen beschouwd worden (en
zich onthoudt van interventie op domeinen, waar individuele verschillen
inzake bekwaamheden, opvattingen en voorkeuren essentieel zijn). De
tweede voorwaarde is de aanwezigheid van een individueel recht op
wapendracht.
Niet de staat maar de georganiseerde burgers moeten over het
geweldmonopolie beschikken. Het conventionele denkbeeld, dat de
individuele burger op basis van een fictief ‘sociaal contract’ alle
recht op gewelddadige verdediging overdraagt aan de staat, is duidelijk
niet coherent. Dat blijkt bijvoorbeeld over het feit dat toch
allerhande uitzonderingen moeten toegestaan worden, bijvoorbeeld inzake
zelfverdediging, die dan op vreemde wijze van land tot land kunnen
verschillen (bv. in België mag men zijn eigendom niet met geweld
beschermen, in vele andere landen mag dat wel). Een coherent beeld
ontstaat slechts, wanneer men het recht op wapenbezit en
zelfverdediging van het individu erkent, en politionele machten opvat
als verlengstukken hiervan. Individuele gezinnen kunnen op allerhande
levensdomeinen de productiviteit verhogen door samenwerking en dito
arbeidsdeling. Onderwijs is een typerend voorbeeld: opgroeiende
kinderen kunnen bepaalde vaardigheden leren in andere gezinnen, of door
leraren waarmee door de gezinnen gezamelijk een overeenkomst werd
afgesloten. Leraren kunnen ingaande op de vraag van de gezinnen alle
mogelijke onderwijsinitieven aanbieden. Op die manier kan ontstaan wat
men met recht ‘vrije scholen’ zou kunnen noemen. Op geen enkele wijze
is daarbij de interventie van de staat vereist. Iets vergelijkbaars
geldt voor veiligheid. Gezinnen verenigd in een dorp kunnen
bijvoorbeeld de waarneming van de gewapende nachtwacht volgens een
beurtrol organiseren. In het direct-democratische Fosses-la-Ville was
deelname hieraan een voorwaarde voor burgerschap. Of de gezinnen kunnen
besluiten om gezamelijk gespecialiseerde mensen in dienst te nemen voor
de waarneming van bepaalde politionele taken of verdedigingstaken. Maar
in al deze gevallen blijft het uitgangspunt de soevereine
opdrachtgevende burger. Die blijft van nature de eerste leraar, en ook
de eerste politieman, en wat inzake onderwijsinitiatieven of
politiediensten ontstaat is een op specialisatie en arbeidsdeling
toegespitste extentie hiervan. Het uitgangspunt bij dit alles is het
initiële vertrouwen in de soevereine burger. De momenteel bestaande
toestand is hiervan precies het tegenovergestelde: de burger wordt
onbetrouwbaar geacht en onbekwaam tot soevereiniteit, en daarom dient
hij via een fictief ‘sociaal kontrakt’ een geweldmonopolie aan de staat
te verlenen, alsof laatstgenoemde om een of andere bovenzinnelijke
reden wél betrouwbaar zou zijn. Nee: de soevereiniteit moet zich
situeren bij het menselijk individu, omdat alleen individuen (in
tegenstelling tot instellingen) over geweten en verstand beschikken.
In de mate dat politionele diensten daadwerkelijk als de aannemers van
opdrachten van soevereine burgers optreden, kan er zich geen probleem
stellen van recht van oproep tot opstand tegen de staat. Immers, de
gewapende arm van de staat is onbestaande, en de soevereine burgers
hoeven in geval van onvrede slechts de kontrakten met de politionele
diensten te herzien om voldoening te bekomen. Wanneer daarentegen de
burgers de staat met een geweldmonopolie hebben bekleed, dan kan het
probleem zich wel degelijk in alle scherpte stellen. En dan kan de
verdediger van de menselijkheid niet anders dan prioriteit geven aan
het vrije woord, en het recht van het prediken tot opstand tegen de
staatsmacht stellen boven het zogenaamde staatsbelang.
|