| Door Geert Van Hout,
Op zondag 31 januari 2010
|
Aantal Hits : 220  |
Gepubliceerd in : actueel, artikels |
220 hits
Waarom
ontaardde de democratische rechtsstaat tussen 1922 en 1940 in zowat
alle Europese landen in een autocratisch of zelfs een totalitair
systeem? Waarom bleven de democratische vrijheden in Zwitserland,
Engeland, Scandinavië en Nederland net wél overeind? Hadden deze
laatste landen iets met elkaar gemeen dat de eerste groep ontbeerde?
Deze vragen vormden het uitgangspunt van het in 1943 verschenen boek Gemeindefreiheit als Rettung Europas (ondertitel: Grundlinien einer ethischen Geschichtsauffassung),
waarin de Zwitserse historicus Adolf Gasser op zoek ging naar
structurele verklaringen voor het verval (of het behoud) van de
vrijheid en de rechtsorde in moderne staten. Een tweede, 'sterk
uitgebreide' editie verscheen in 1947 in Basel.
Gasser zocht (en vond) de oorzaken van het democratische verval in de administratieve structuur
van de betrokken landen. Alle landen die tot 1940 (en als ze niet door
de Duitsers bezet werden, ook na 1940) vrije rechtsstaten bleven hadden
als gemeenschappelijk kenmerk een gedecentraliseerde bureaucratie met
een sterke locale autonomie. Daarentegen was de bureaucratie in de
landen die al voor de oorlog (of in het geval van Frankrijk, meteen na
de Duitse inval) autoritair werden, hiërarchisch-centralistisch
georganiseerd.
Gassers
stelling luidt dat elke op een centraal machtsprincipe gebaseerde (dus
van bovenaf opgelegde) gezagsstructuur onvermijdelijk tot de teloorgang
van vrijheid en recht leidt en dat alleen een op vrijwillige associatie
(dus een van onderaf organisch gegroeide) gemeenschap, een gemenebest,
op duurzame wijze vrijheid en recht kan verzoenen. De basiseenheid van
de waarlijk vrije gemeenschap, aldus Gasser, is de vrije gemeente.
Gemeindefreiheit als Rettung Europas is jammer genoeg relatief onbekend gebleven, ook al was het een rechtstreekse inspiratiebron voor de politieke statuten van de Raad van de Europese Regio’s en Gemeenten
en al beïnvloedden Gassers ideeën in belangrijke mate de
gemeentewetgeving van de naoorlogse Bondsrepubliek. Maar er zijn nog
andere redenen waarom dit werk ook vandaag nog onze aandacht verdient:
behalve een stilistisch meesterwerkje en een paradigmaverschuivende
historische analyse is Gemeindefreiheit als Rettung Europas toch vooral een wervend "communalistisch manifest", een lofzang op de vrijheid in de locale gemeenschap.
Om al die redenen zal ik in een paar afleveringen een uitgebreide samenvatting van Gemeindefreiheit als Rettung Europas
brengen, gebaseerd op een Duitse heruitgave uit 1983 (1). Voor alle
duidelijkheid: deze tekst is een samenvatting van Gassers boek. Wie het
liever bij een beknopte bespreking (in het Duits) houdt, kan hier
terecht. Ik werk nog aan een beschouwend commentaar, dat later zal
verschijnen. De samenvatting volgt getrouw de structuur van het boek.
De Duitse citaten herhalen enkele ideeën in Gassers eigen pregnante
woorden en dienen slechts ter illustratie van het gezegde – de lezer
kan ze zonder verlies overslaan.
Bij
wijze van waarschuwing aan de lezer nog dit. Dat het taalgebruik van
een Zwitserse historicus anno 1947 ons anno 2010 wat ouderwets,
moraliserend of zelfs pathetisch kan toeschijnen, dat Gassers ideeën
ontegensprekelijk zijn conservatieve ingesteldheid verraden
(conservatief niet in de betekenis van 'reactionair' maar van
'niet-revolutionair', zie de uitvoering hierover in de tekst), mag niet
afleiden van de enige werkelijk belangwekkende vraag omtrent dit werk.
Die vraag luidt: Hoeveel waarheid schuilt in Gassers stelling dat
slechts een op locaal zelfbestuur en vrijwillige associatie
gegrondveste gemeenschap langdurig een stabiele vrijheid en rechtsorde
kan waarborgen?
Adolf Gassers ‘Gemeentevrijheid als redding van Europa’ (1947) - samenvatting (1)
Al
in het voorwoord zet Gasser zich af tegen de algemeen gangbare
vernauwing van het sociale denken tot louter constitutionele en
economische systemen. In dit duale denken moet het staatsrecht
doorgaans de "politieke vrijheid" en de "politieke Democratie"
onderbouwen, terwijl economische systeemtheorieën de "sociale
vrijheid" en de "sociale democratie" schragen. Volgens Gasser is voor
het behoud dan wel het verlies van de vrije rechtsorde de
administratieve vrijheid (de organisatie van het staatsbestuur, de
bureaucratie) veel belangrijker dan de grondwettelijke of de
economische vrijheden: “Politieke en sociale vrijheid kunnen niet
duurzaam zijn zolang ze niet met administratieve vrijheid, met
gemeentevrijheid gepaard gaan”. Kort: voor het behoud van de vrijheid
op lange termijn is de bestuursorganisatie van een land fundamenteler
dan de staatsrechtelijke en de economische structuren.
Politische
wie soziale Freiheit können nie von Dauer sein, solange sie nicht mit
administrativer Freiheit, mit Gemeindefreiheit verbunden sind. So
wichtig das Verfassungsdenken und das Wirtschaftsdenken auch sind - der
Weg zur richtigen Erkenntnis, zur lebendigen Erfassung der
staatsbildenden geistigen und sittlichen Kräfte führt immer nur über
das Verwaltungsdenken. (p. 6)
Für
die Versöhnung von Freiheit und Ordnung, dieser beiden Gegensätze, ist
logischerweise gar nicht so so sehr der Aufbau der Staatsverfassung
massgebend als vielmehr der Aufbau der Staatsverwaltung. Während die
Verwaltung gleichsam das Leben verkörpert, handelt es sich bei der
geschriebenen Verfassung eher um eine Sache der Theorie - und wo das
Verfassungssystem mit dem Verwaltungssystem in innerem Widerspruch
steht, da handelt es sich um eine lebensfremde, auf die Dauer
unhaltbare Theorie. (p. 11)
Hoofdstuk I. Communalisme als organische verbinding van vrijheid en orde
Vertrekkend
van de historische feiten dat de in 1919 overal in Europa ingevoerde
(of herwonnen) vrije democratische orde in de meeste (maar niet alle)
Europese landen tegen 1940 opnieuw verloren was gegaan (2) en dat dit
"massasterven van de Europese democratieën" geen externe maar interne
politieke oorzaken had (3), postuleert Gasser dat er twee soorten democratieën
bestaan: gezonde en broze democratieën. In tegenstelling tot gezonde
democratieën slagen broze democratieën er niet in, vrijheid en recht
langdurig en stabiel met elkaar te verzoenen. Broze democratieën
eindigen onvermijdelijk in chaos. Eén enkel kenmerk volstaat om gezonde
van broze democratieën te onderscheiden: de graad van daadwerkelijk
gemeentelijk en regionaal zelfbestuur. Alle in voetnoot (2) genoemde
gezonde democratieën kennen een lange historische traditie van
gemeentelijk zelfbestuur, van ware "gemeentevrijheid". Omgekeerd is
(1947!, gvh) een doorgedreven bureaucratisch centralisme het kenmerk
van alle gefaalde, broze democratieën. In deze tegenstelling ligt
volgens Gasser het ultieme antwoord op de vraag waarom sommige
democratieën de moeilijke eerste helft van de twintigste eeuw wel
konden overleven, andere niet.
Es
gibt nämlich ein Merkmal, das es ermöglicht, die gesunden und die
brüchigen Demokratien jederzeit klar zu unterscheiden. Und zwar handelt
es sich bei diesem untrüglichen Merkmal um die Gestaltung der
kommunalen und regionalen Selbstverwaltung. (p. 10)
Hoe is politieke gemeenschapsvorming überhaupt mogelijk? Vanuit een bestuurlijk standpunt bestaan er twee archetypen van gemeenschapsvorming:
de op heerschappij gebaseerde en de op vrijwillige associatie
gebaseerde gemeenschapsvorming. Of nog: de hiërarchisch-bureaucratische
en de associatief-federatieve gemeenschap. Beide zijn fundamenteel
verschillend, op veel vlakken zelfs diametraal aan elkaar tegengesteld.
De
hiërarchische gemeenschap is van bovenaf gegroeid en berust op de
principes van ondergeschiktheid en gehoorzaamheid aan de staatsmacht.
De op vrijwillige associatie gebaseerde gemeenschap (ook gemenebest
genoemd) daarentegen is van onderaf 'organisch' gegroeid, vanuit een
vrije en collectieve wil tot samenleven en samenwerken. Historische
voorbeelden van hiërarchisch-bureaucratische gemeenschappen zijn het
feodalisme, het absolutisme, de Duitse staat tot 1933 en de Franse IIIe
Republiek. Sinds de tijd van het Absolutisme kennen de meeste staten op
het Europese vasteland een gecentraliseerde bureaucratie. Immers, zodra
een op heerschappij gebaseerde staat een relatief groot geografisch
gebied bestrijkt is een centralistisch georganiseerd
militair-bureaucratisch systeem onontbeerlijk. Daarentegen wortelt een
van onderaf gegroeide gemeenschap altijd in de locale ruimte, meer
bepaald in de gemeente, omdat associatief zelfbestuur zich alleen
locaal kan ontwikkelen. De geschiedenis leert ons dat ook zulke vanouds
vrije gemeenschappen zich tot een nationale staat kunnen aaneensluiten
(bvb. Engeland, Zwitserland, Nederland, de VS).
Weliswaar hadden de ideeën van het liberalisme tot
gevolg dat ook hiërarchische staten beperkte vormen van locaal
zelfbestuur invoerden en dat anderzijds vrije gefedereerde staten hun
administratie ten dele centraliseerden. Maar toch bleven de
fundamentele verschillen onaangeroerd. Zo werd de centrale
administratie in landen met ware gemeentevrijheid nooit meer dan een
soort dakorganisatie. Anders gezegd: ondanks een zekere bestuurlijke
centralisatie in federatieve gemeenschappen doordrong
de administratieve bevelstructuur er nooit de hele staat van het
nationale tot het locale niveau. Dit in tegenstelling tot
centralistisch-bureaucratische staten, waar onmogelijk ware locale
autonomie kan bestaan, aangezien de administratie er zonder het
ordenend principe van bevelen en gehoorzamen niet naar behoren kan
functioneren (zie ook lager). Kortom, in de wereld van de
gemeentevrijheid is het ordenend principe de "gemeenschapsgeest", de
collectieve wil tot samenleven. In centralistische landen is het
ordenend principe de gehoorzaamheid aan de staat.
Und
da gibt es, verwaltungsmässig betrachtet, nur zwei grundlegende
Ordnungsprinzipien: das Prinzip der Subordination und das der
Koordination - oder anders ausgedrückt : das Prinzip der
Befehlsverwaltung und das der Selbstverwaltung. Entweder wird die
staatliche Ordnung durch einen obrigkeitlichen Befehls- und
Machtapparat gesichert, oder dann beruht sie auf dem freien
gesellschaftlichen Willen einer Volkskollektivität. (p. 12)
Der Gegensatz Herrschaft - Genossenschaft ist vielleicht der wichtigste Gegensatz, den die Sozialgeschichte kennt. (p. 13)
Anders als der herrschaftliche Staat wurzelt der genossenschaftliche seinem Wesen nach notwendig stets im kleinen Raume. (13)
Een
gemeenschap van vrije en weerbare (dus bewapende) burgers kan
historisch gezien slechts op één manier ontstaan: door vrijwillige
associatie van die burgers. Wanneer elke burger traditioneel het recht
heeft om wapens te dragen, kan een gemeenschap alleen maar uit een
collectieve wil ontstaan. Zo komt op organische wijze een synthese van vrijheid en orde
tot stand. Een verzoening van deze twee tegengestelde begrippen wordt
pas mogelijk wanneer de wil tot vrije collectieve samenwerking
onafscheidelijk verbonden is met de wil tot vrije collectieve inpassing
(Dt. Einordnung)
in de gemeenschap. Anders uitgedrukt: voorwaarde voor het functioneren
van een vrije gemeente of een gemenebest van vrije gemeenten is de wil
van het individu om mee verantwoordelijkheid voor de gemeenschap op te
nemen. De centralistische machtsstaat daarentegen is gebaseerd op
hiërarchische verhoudingen (Dt. Über- und Unterordnung), dus op onderwerping van het individu aan de staatsorde.
Hoofdvoorwaarde
voor zo'n "vrijwillige inpassing" is dat de leden van de gemeenschap
dezelfde fundamentele geestelijke en morele waarden bezitten. Met
andere woorden, er moet een collectief geweten voorhanden zijn (Gasser
noemt dit "ethisch collectivisme"),
met als noodzakelijk kenmerk een in hoge mate uniforme "publieke
opinie", althans voor wat fundamentele waarden en normen betreft.
Volgens Gasser is dàt wat Tocqueville met "tyrannie van de meerderheid"
bedoelde: de vrije wil van de betrokken individuen creëert een
collectief gevoelde dwang tot conformering aan de gemeenschappelijke
wil. Daar een centralistisch bestuurswezen ontbreekt is een vrije
gemeente (of een gemenebest van vrije gemeenten) aangewezen op een
machtige publieke opinie om de maatschappelijke cohesie te waarborgen.
Als voorbeeld noemt Gasser de indrukwekkende eendracht waarmee de
Britten zich bij het begin van de Tweede Wereldoorlog achter hun
leiders schaarden.
Van
alle collectieve bindingen die gezamenlijk de publieke opinie vormen
zijn de ethische bindingen het fundamenteelst. Volgens Gasser is dit
van groot belang: "Terwijl in een hiërarchisch-bureaucratische staat
politiek en moraal op fundamenteel verschillende niveaus liggen, zijn
ze in de associatief-decentrale staat onafscheidelijk verbonden". Dat
is het fundamentele wezenskenmerk van een op gemeentevrijheid
gebaseerde gemeenschap. Gasser vat dit samen onder de noemer "communale
gemeenschapsethiek".
Staatsbildungen,
die von unten nach oben wuchsen und die Idee der Selbstverwaltung
repräsentieren, sind regelmässig Gemeinwesen ganz besonderer Art; denn
sie werden in erster Linie durch geistig-sittliche Kräfte
zusammengehalten und nur nebenbei durch machtpolitische Klammern. (p. 17)
Während
im obrigkeitlich-bürokratischen Staate Politik und Moral auf
grundsätzlich verschiedenen Ebenen liegen, gehören sie im
gesellschaftlich-kommunalen Staate untrennbar zusammen. (p. 18)
Vervolgens bespreekt Gasser de kenmerken van een communale gemeenschapsethiek: collectieve wetsgetrouwheid, collectief vertrouwen, collectieve verdraagzaamheid, humaniteitsidee.
Collectieve wetsgetrouwheid.
Een uit vrije associatie en communalisme gegroeide gemeenschap heeft
zijn wortels noodzakelijk in het volksrecht (in tegenstelling tot het
"herenrecht", het recht van de machthebbers). Immers, vrije en
bewapende burgers kunnen slechts vrijwillig een gemeenschap vormen
zolang ze gelijklopende rechtsopvattingen hebben. De voor communale
gemeenschappen typische wetsgetrouwheid van de burgers vloeit voort uit
een collectieve trots op het bestaande. Dit verklaart ook waarom deze
gemeenschappen zo sterk aan het bestaande recht vasthouden: ze zijn
niet bereid de bestaande rechtsorde door een andere te vervangen.
Hoogstens willen ze het geldende recht aanvullen met nieuwe
rechtsregels. Gemenebesten zijn dus in wezen conservatief, niet in de
betekenis van "reactionair" of "niet progressief", wel van "niet
revolutionair". Vrijheid is pas levenskrachtig wanneer ze een
voedingsbodem vindt in zulk een volksrechtelijk-conservatieve
gemeenschapszin. Deze gemeenschappen kennen dan ook geen hogere
politieke autoriteit dan de overgeleverde en collectief gedragen
rechtsorde. Dit verklaart waarom ze voor altijd beschut lijken voor de
tendens om zich van binnenuit tot een totalitaire staat te ontwikkelen.
Das genossenschaftlich-kommunale Ordnungsprinzip ist immer auch identisch mit einem volksrechtlichen Ordnungsprinzip. (p. 18)
Denn
wo eine Volksgesamtheit ihre Ehre darein setzt, das Bestehende nur
schrittweise, in organischer Fortbildung abzuändern, da bekennt sie
sich - wenigstens dem Prinzipe nach - zur Verfassungs- und
Gesetzestreue und zur unbedingten Rechtskontinuität. (p. 19)
Collectief vertrouwen.
De aldus ontstane verbinding van vrijheid en recht is de basis van een
sterk collectief vertrouwen onder de burgers. Hoezeer de persoonlijke
belangen en overtuigingen onderling ook mogen verschillen, er blijft
altijd een vertrouwen bestaan dat alle partijtegenstellingen
overstijgt: het vertrouwen in de wetsgetrouwheid van de meerderheid der
medeburgers. Dit collectieve vertrouwen verbindt tegengestelde groepen
met elkaar: regerenden en geregeerden, armen en rijken, arbeiders en
academici. Het verklaart waarom men in een gemenebest weinig angst
heeft voor de "gewone man". Doch zo'n vertrouwen kan alleen in een
kleine gemeenschap bestaan. Daarom moet elk gemenebest opgebouwd zijn
uit vrije en autonome locale gemeenschappen die zich vrijwillig
associëren tot een groter geheel ("collectiviteitenstaat"). Zulke
gemeenschappen zijn zelfs in staat, de moderne partij- en
klassentegenstellingen grotendeels op te vangen en te milderen. De
verhoudingen tussen politieke partijen in een gemenebest zijn veel
minder gekenmerkt door een onderlinge strijd om de macht: het algemeen
landsbelang staat altijd voorop.
In
einer auf kollektiver Gesetzestreue beruhenden Rechtsordnung haben die
führenden Volksschichten, das ist natürlich, wenig Angst vor dem "Mann
auf der Strasse"; ja, sie sind geradezu darauf stolz, das freie
Vertrauen der Volksmassen zu besitzen. (p. 21-22)
Um
auf den Boden der Freiheit eine volkstümliche Ordnung begründen zu
können, muss der Nationalstaat innerlich an das kleinstaatliche Prinzip
gebunden bleiben: d.h. er darf seinem Wesen nach nichts anderes sein
als eine Vereinigung lokaler Vertrauensgemeinschaften, ein System sich
selbst verwaltender lebendiger Kollektivitäten. (p. 23)
Collectieve verdraagzaamheid.
Uit dit collectieve vertrouwen op locaal niveau groeit een collectieve
verdraagzaamheid op regionaal en nationaal niveau. Wie in de gemeente
geleerd heeft om met zijn tegenstanders naar compromissen te zoeken,
zal dit ook op een hoger niveau nastreven. Als de passies of de strijd
in een gemeente te hoog oplopen, zullen naburige gemeenten daar weinig
begrip voor opbrengen en trachten te bemiddelen, terwijl in
centralistische landen locale rivaliteiten vaak nog versterkt worden
door de bestaande partijtegenstellingen. Ook dit is een historisch
feit: in de wereld van de gemeentevrijheid waren de
klassentegenstellingen nooit zo scherp als in centralistische staten.
Ook zijn "conservatief", "liberaal" en "socialistisch" er geen
onverzoenlijke tegenstellingen, ze horen integendeel onafscheidelijk
bij elkaar. In een gemenebest is de conservatief deels liberaal en
socialist, de liberaal deels conservatief en socialist, de socialist
deels liberaal en conservatief.
Wo
immer kollektive Gesetzestreue und kollektives Vertrauen einen
Volkskörper zusammenhalten, da sind von vornherein starke Kräfte der
Versöhnung und des Augsleichs im Spiel. (p. 24)
Überhaupt
sind in der Welt der Gemeindefreiheit die heute dort vorherrschenden
drei Parteiideale konservativ, liberal und sozialistisch alles andere
als unversöhnliche Gegensätze; sie gehören vielmehr in unlösbarer Weise
zusammen: als notwendige Funktionen des genossenschaftlich-föderativen
Ordnungsprinzipes. (p. 25)
Humaniteitsidee.
Het uitgangspunt van een op "ethisch collectivisme" gestutte
gemeenschap is, aldus Gasser, "niet de individuele vrijheid, maar de
gemeentevrijheid". Echter, in de gemeentevrijheid zit immanent "een
kiem van individuele vrijheid, in de vorm van een 'levenwekkend' en
'orde scheppend' element". De gemeenschap moet er alles aan doen om de
geldende collectieve waarden (wetsgetrouwheid, vertrouwen en
verdraagzaamheid) te behouden en te versterken. De burgers moeten
gemotiveerd blijven om zich in de gemeenschap in te passen en de regels
te volgen. Dat kan alleen door een permanente zelfopvoeding van de
mensen tot vrije, bewuste, verantwoordelijke, verdraagzame burgers.
Elke van onderaf opgebouwde gemeenschap is erop aangewezen, "zijn
burgers aan te manen tot respect van bepaalde levenswaarden". De
belangrijkste van deze waarden zijn: respect voor vrijheid en recht,
bereidheid tot vertrouwen en trouw aan het gegeven woord,
verdraagzaamheid en gematigdheid, respect voor de rechten van de
zwakkeren, het geloof in het goede van de mens en zijn capaciteit om
zichzelf te verbeteren. Zo bekeken is de gemeentevrijheid ook de bron
van de humanitaire idee zelf. Elk systeem van zelfbestuur is tegelijk
een burgerschool, een instelling voor humanitaire vorming. Alleen op deze geestelijke en morele basis konden stabiele en inwendig gezonde democratieën ontstaan.
Die
Staatsangehörigen müssen in der Lage bleiben, sich immer wieder freudig
zur Gesetzestreue, zum Vertrauen, zur Verträglichkeit zu bekennen. Das
ist nur möglich, wenn man fortwährend an ihre Mitarbeit im Staate, an
ihren politischen Verantwortungssinn appelliert. Und daraus folgt: Jede
auf dem Selbstverwaltungsprinzip beruhende Staatsbildung ist ihrem
Wesen nach eine auf Selbsterziehung gegründete Vertrauensgemeinschaft
freier Menschen. (p. 27)
Ausgangspunkt
der genossenschaftlich-dezentralisierten Staatsbildungen ist nicht die
Individualfreiheit, sondern die Gemeindefreiheit. Aber es ist in der
Gemeindefreiheit, das darf man nie übersehen, ein Keim von
Individualfreiheit zwangsläufig enthalten - und zwar in Form eines
lebenspendenden, ordnungsfördernden Elementes. (p. 27)
Jenes
Wort des Freiherrn vom Stein bleibt zutiefst wahr: "Zutrauen veredelt
den Menschen; ewige Vormundschaft hemmt sein Reifen." (p. 29)
Als
eine Anstalt, die ihre Angehörigen zu fortwährender Selbsterziehung
nötigt, ist jeder vom Geist der Gemeindefreiheit beseelte Staat eine
Bürgerschule: eine Anstalt für Menschenbildung.(p. 29)
(Einde
van het eerste deel. In deel twee vat ik de hoofdstukken twee en drie
samen, waarin Gasser de historische ontwikkeling van "De wereld van de
gemeentevrijheid" en "De wereld van de gemeenteonvrijheid" behandelt).
Deze tekst verscheen eerder op mijn blog berlijnsereflecties.blogspot.com.
(1) A. Gasser en F.-L. Knemeyer, Gemeindefreiheit – kommunale Selbstverwaltung (deel 4 in de reeks: Studien zur Soziologie),
ISBN 485-03090-2, Nymphenburger Verlagshandlung GmbH, München, 1983.
Deze uitgave verscheen veertig jaar na de eerste druk. Ze omvat de
volledige tekst van de tweede editie (1947), een inleiding door
Knemeyer en een slotbeschouwing van Adolf Gasser zelf.
(2) In
Italië in 1922, Spanje in 1923-31 en 1936, Bulgarije 1923-1931 en 1935,
Griekenland 1925-6 en 1935, Polen 1926, Litouwen 1926, Portugal 1926,
Joegoslavië 1929, Letland 1934, Roemenië 1937, Hongarije sinds de jaren
1920.
In de volgende landen ging de vrije rechtsstaat voor 1940 niet
ten onder: het VK (en de VS), Nederland, Zwitserland, de Scandinavische
landen met inbegrip van IJsland. België beschouwt Gasser als een
"tussengeval" (in deel 2 meer daarover).
(3) Ook in Frankrijk in 1940 (zie deel 2).
|
|
|